'Kans op sociale daling is groter geworden'; Studie over veranderende ongelijkheid in Nederland

De maatschappij is gelaagd en iemands afkomst beïnvloedt zijn maatschappelijke kansen. Allemaal waar, maar de vraag is in welke mate, en welke veranderingen daarin optreden. In het vandaag gepubliceerde boek 'Verschuivende ongelijkheid in Nederland' brengen onderzoekers Dronkers en Ultee ontwikkelingen in sociale gelaagdheid en mobiliteit in kaart

Wanneer politici het hebben over sociale ongelijkheid, hebben ze het meestal over inkomens. Sociologen geven de voorkeur aan beroep en opleiding als maatstaf van sociale ongelijkheid. Dat komt niet alleen doordat ze geen inkomensgegevens krijgen van de belastingdienst en dus ontwikkelingen in inkomens moeilijk kunnen onderzoeken. “Het is ook zo dat inkomen een consequentie is van beroepsniveau en opleiding, en niet andersom”, zegt dr. J. Dronkers, hoogleraar onderwijskunde aan de Universiteit van Amsterdam. “Met beroep en opleiding zit je veel dichter bij de kern van sociale ongelijkheid in de samenleving.” Dronkers vormde samen met de Nijmeegse hoogleraar sociologie dr. W.C. Ultee de redactie van Verschuivende ongelijkheid in Nederland, waaraan ruim twintig auteurs hebben bijgedragen. Ter gelegenheid van het verschijnen van dit boek leveren vandaag op een congres in Amsterdam andere onderzoekers commentaar op de resultaten.

Het boek vormt een overzicht van beschikbare kennis over ontwikkelingen in sociale ongelijkheid in Nederland. Het is het produkt van een sterk kwantitatief georiënteerde onderzoekstraditie: hoe groot is de ongelijkheid tussen mensen en in welke mate is zij veranderd? Geen gemakkelijke kost: veel tabellen en veel statistiek. Maar de essentie laat zich heel wel uitleggen.

In de eerste plaats is de Nederlandse samenleving sinds het begin van deze eeuw steeds opener geworden. Afkomst bepaalt in steeds mindere mate iemands maatschappelijke kansen. De kans dat een arbeiderskind naar het hoger onderwijs gaat en een goede baan krijgt, is aanzienlijk groter dan vroeger. “Maar ook de kans op sociale daling is groter geworden”, benadrukt Dronkers. “Dat kan je niet loskoppelen. Wel wordt die daling wat gecamoufleerd door de algemene stijging van opleidings- en beroepsniveau.”

De onderzoekers maken een belangrijk onderscheid, tussen absolute en relatieve mobiliteit. Wanneer iemand meer opleiding heeft dan zijn ouders, of een betere baan heeft dan zijn ouders, spreken sociologen van absolute sociale stijging. Dat is wat ouders bedoelen wanneer ze constateren dat hun kinderen het beter hebben dan zij. Ontzettend veel mensen hebben het in absolute zin verder geschopt dan hun ouders. Geen wonder, want het gemiddelde opleidingsniveau is in de loop van deze eeuw enorm gestegen.

De mate van absolute mobiliteit zegt niet zoveel over de mate van openheid van de samenleving. Het zou immers best zo kunnen zijn dat de kinderen van degenen die enkele decennia geleden tot de laagst opgeleide tien procent van hun generatie behoorden, nu ook weer tot de laagst opgeleide tien procent van hún generatie behoren - ook al hebben ze nu vier jaar onderwijs méér. Wanneer mensen in vergelijking met anderen extra stijgen of dalen, spreken sociologen van relatieve mobiliteit.

Een tweede belangrijk onderscheid is dat tussen intergenerationele mobiliteit - stijging of daling ten opzichte van de positie die de ouders innamen - en intragenerationele mobiliteit - stijging of daling gedurende de eigen loopbaan. Ultee: “Het is de intergenerationele mobiliteit die de afgelopen decennia sterk is toegenomen. Binnen de eigen loopbaan is de mobiliteit echter niet toegenomen, wellicht zelfs wat afgenomen. Dat komt vooral door de rol van het onderwijs.” Dronkers: “Door het optrekken van het algehele onderwijsniveau vallen de beslissingen die een verschil maken voor de verdere schoolloopbaan op latere leeftijd. De invloed van het ouderlijk milieu op het bereikte onderwijsniveau is daardoor kleiner geworden, maar het bereikte onderwijsniveau is wel in sterkere mate dan vroeger bepalend voor het beroepsniveau dat iemand bereikt.” Opklimmen binnen een bedrijf of organisatie wordt zonder diploma's steeds moeilijker.

Opvallend is dat de intergenerationele mobiliteit in Nederland veel meer is toegenomen dan in de meeste andere ontwikkelde landen. Ultee: “De historicus Von der Dunk heeft wel eens de verklaring geopperd dat dit te maken heeft met de Nederlandse neutraliteit tijdens de Eerste Wereldoorlog. Dat klinkt wel plausibel, maar ik ken geen onderzoek voor verschillende landen dat zo ver teruggaat dat je dat goed met elkaar kunt vergelijken.” De Nederlandse afzijdigheid in de Eerste Wereldoorlog wordt ook wel aangevoerd als verklaring voor de lage arbeidsdeelname van vrouwen in Nederland ten opzichte van de ons omringende landen. Ultee: “In die andere landen moesten de vrouwen de munitiefabrieken in, want de mannen waren aan het front. Ze zijn natuurlijk niet in die munitiefabrieken gebleven, maar wel in het arbeidsproces.”

De openheid van de Nederlandse samenleving is nu niet substantieel groter dan die in andere landen. Aan het begin van deze eeuw was die in Nederland namelijk veel kleiner dan in andere ontwikkelde landen. Dronkers: “De modernisering is in Nederland pas laat op gang gekomen. Nederland kende ook een relatief grote agrarische sector, die nu eenmaal wordt gekenmerkt door een geringe mobiliteit.”

Dronkers: “Wat die internationale vergelijking laat zien is dat waar er vroeger grote verschillen in mobiliteit bestonden tussen landen, die verschillen in de loop van deze eeuw steeds kleiner zijn geworden.” Opvallend is dat de politiek daar kennelijk niet zo veel invloed op heeft. In de voormalige communistische landen doen zich dezelfde ontwikkelingen voor. Donkers: “De randvoorwaarden waaronder moderne samenlevingen zich ontwikkelen zijn heel moeilijk door de politiek te beïnvloeden.” Ultee: “De politiek heeft wel invloed op de mate waarin een land zich economisch ontwikkelt. Waaraan we ons aardgasgeld uitgeven bijvoorbeeld, daarin hebben we een grote mate van vrijheid.”

Dronkers: “Of er banen zijn of niet, of de overheid bereid is dingen te financieren, bijvoorbeeld onderwijs, dat maakt wel uit. Maar de expansie van het onderwijs zoals die in Nederland grotendeels gefinancierd door de overheid heeft plaatsgevonden, was alleen mogelijk dankzij de krachtige economische groei. En je ziet ook dat met de afvlakking van de groei de discussie opkomt of we dat nog wel kunnen betalen.” Ultee: “Een verzorgingsstaat is alleen mogelijk in een moderne, technologisch ontwikkelde samenleving. Punt.” Dronkers: “Je ziet wel veranderingen, maar dan moet je niet kijken naar de termijn van één kabinetsperiode.”

In het boek komen auteurs een paar keer op de proppen met een termijn van twee eeuwen. Een aantal vrijheden - de gelijkheid van burgers voor de wet, vrijheid van beroepskeuze - is in formele zin ingevoerd tijdens de Bataafse republiek. Dronkers: “De vraag is wat daarvan terechtgekomen is.” Neem de vrijheid van beroepskeuze: als de huidige trend van afname tussen het verband van het beroep van de vader en het beroep van de zoon doorzet, dan is dit verband over enkele decennia verdwenen, betogen de auteurs. Tussen het wettelijk invoeren van zo'n vrijheid en het materieel effectueren daarvan zit dus circa tweehonderd jaar. Dronkers: “Hetzelfde speelt bij het verschil tussen mannen en vrouwen. Je moet niet verwachten dat dat met zes subsidiepotten en tien maatregelen verdwenen is.” Vrouwen moeten dus nog pakweg honderddertig jaar geduld hebben voordat ze een gelijke positie op de arbeidsmarkt verwerven? Dronkers: “Als dat proces zich voltrekt in hetzelfde tempo als het oudere recht op vrije beroepskeuze, dan gaat er zo lang overheen. In de politiek zie je natuurlijk de wens dat het gisteren gebeurd moet zijn.”

Ook bij immigranten - veelal met zeer weinig scholing - en hun nakomelingen is het dus een illusie te verwachten dat hun positie binnen enkele decennia niet meer van Nederlanders is te onderscheiden. Een handicap voor nakomelingen van immigranten is dat het gemiddeld bereikte onderwijsniveau in Nederland nog steeds stijgt. Dus ook al gaan allochtone kinderen het op school in de loop der jaren beter doen, de rest gaat het ook beter doen. Dronkers: “Daar heb je weer het verschil tussen absolute en relatieve mobiliteit. Het is zelfs mogelijk dat de achterstand van allochtonen toeneemt, ook al doen ze het in absolute zin steeds beter.” Het is dus uiteindelijk de vraag hoe de stijging van het gemiddeld niveau zich verhoudt tot de stijging van het niveau van allochtonen. Gezien de beschikbare gegevens is het eigenlijk te vroeg om daarover te oordelen, aldus Dronkers.

Juist in verband met de vraag of allochtonen hun relatieve positie verbeteren, wordt regelmatig opgeworpen dat er sprake is van een tweedeling in de samenleving - een term die Den Uyl in 1984 introduceerde in het politieke debat. Ultee: “Ik ben van mening dat Den Uyl veel meer gelijk krijgt dan men destijds heeft gedacht. Den Uyl heeft toen in debat met de liberaal Zoutendijk toegegeven dat er ook onder werklozen veel mobiliteit was. Dat is niet zo. Dát wordt tegenwoordig wel onderkend: het probleem is niet werkloosheid, het probleem is langdurige werkloosheid.”

Dronkers: “Wel is de term tweedeling in zoverre misleidend dat die suggereert dat de werkenden één geheel vormen. Dat is natuurlijk niet zo.” Dronkers en Ultee geven daarom de voorkeur aan de term onderklasse. Dronkers: “Er is gewoon een nieuwe scheidslijn bijgekomen. Als criterium voor onderklasse geldt langdurige werkloosheid, veel meer dan etniciteit.”

Maar vormen langdurig werklozen een permanente klasse? Dronkers: “Binnen hun generatie wel. Maar we vinden nog niet dat die werkloosheid grote effecten heeft op hun kinderen.” Langdurig werklozen zijn vaak laag geschoolden. En kinderen van laag geschoolden hebben een relatief geringe kans om bijvoorbeeld het hoger onderwijs te bereiken. Daarom hebben kinderen van langdurig werklozen ook geen florissante uitzichten in het onderwijs. Maar van extra effecten van werkloosheid is tot nog toe althans vrijwel geen sprake.

Ultee: “Een andere vraag is of langdurige werkloosheid onder jongeren leidt tot uitstel van gezinsvorming. We kennen die verhalen wel uit historische boeken: dat men als het economisch slechter ging later trouwde en later kinderen kreeg. We denken wel dat dit soort reacties verleden tijd zijn, maar het is best denkbaar dat het verband tussen huwelijksleeftijd en economische situatie weer terugkeert.” Het is echter nog te vroeg om hierover harde uitspraken te doen, aldus de onderzoekers.

Een van de belangrijkste bronnen van kansongelijkheid in onze samenleving is het huwelijk, stellen beide redacteuren. Dat komt door drie effecten: men trouwt (of vormt een relatie, het verschil is meer een kwestie voor juristen) relatief vaak met iemand van hetzelfde opleidings- en beroepsniveau; het niveau van de ene partner heeft effect op het niveau van de andere partner (partners van werklozen hebben bijvoorbeeld een grotere kans op werkloosheid dan partners van werkenden, ook wanneer is gecorrigeerd voor opleiding); en het niveau van beide partners heeft elk afzonderlijk effect op de prestaties van hun kinderen. Dronkers: “En niet zo'n beetje ook. Stel dat ik zou kunnen kiezen tussen een middenschool invoeren en huwelijkspartners verloten als middel om sociale ongelijkheid te verminderen, en ik kijk puur naar de effecten ...: loten!”

De huwelijksmarkt is in de loop van de eeuw geleidelijk opener geworden. Sinds het midden van de jaren tachtig is er echter sprake van een omkering in deze tendens. Men trouwt weer meer in eigen kring. Met name opleiding vormt daarin een selectiecriterium. In dezelfde periode begon langdurige werkloosheid een rol te spelen bij de vorming van een onderklasse. Is er een kentering in de ontwikkeling naar een meer open samenleving?

Ultee: “Je ziet die omkeringen, dat klopt, en de eerste vraag is natuurlijk: zijn die omkeringen blijvend? Als dat zo is, zou het best kunnen zijn dat je dat het eerste ziet in de trouwpatronen. Die cijfers hebben namelijk betrekking op de huwelijken die in een bepaald jaar zijn gesloten. Dan zie je zulke effecten natuurlijk eerder dan wanneer je kijkt naar de hele Nederlandse bevolking.”

Dronkers: “Een vraag waar wij mee zitten, en die we in het boek niet beantwoorden omdat we er de gegevens nog niet voor hebben, is of die algemene stijging niet aan het stoppen is, of die machine die in de jaren vijftig, zestig en zeventig steeds meer hogere banen heeft gecreëerd, niet is gestopt. Waardoor er voor de volgende generatie, maar ook al wel voor mensen uit deze generatie, niet meer dat groeiperspectief is.”