Istanbulspor

De eerste slachtoffers van het Ajax-succes zijn geïdentificeerd: John van den Brom en Peter van Vossen hebben getekend voor Istanbulspor. Volgens De Telegraaf grepen de ex-Ajacieden de kans van hun leven met beide handen aan. Ze zouden zelfs de clubvlag hebben gekust onder het toeziend oog van de voorzitter en van technisch directeur Leo Beenhakker. De Turkse tabloids completeerden de dodelijke omhelzing.

Istanbulspor: donkerder kan een woord niet zijn. Tsjetsjenië klinkt vrolijker. Bij Istanbulspor denk ik aan militaire uniformen, laarzen, zware hangsnorren, draconische lijfstraffen, aan een stad zonder kinderen, kortom aan de desolate ruimte achter gods rug. Zie ik daar geen bloedvlekken op de cornervlag?

Istanbulspor, het woord schuurt over mijn vaderhart.

Wat hebben Hollandse jongens nu aan de Bosporus te zoeken? Ja, de mannen van Smit Tak, een enkele keer, maar dan hebben we het over padvindersgeluk op zee. Voetballen in het buitenland is van een andere orde. Dat doe je bij Padova, Saint-Etienne, desnoods Auxerre en Beveren, maar toch niet aan de Bosporus. Echte voetballers hechten aan traditie en symbolen, spelen eigenlijk altijd het verleden na. Istanbulspor mag dan de oudste club van Turkije zijn, het verleden moet nog beginnen.

Er kondigt zich een menselijk drama aan.

Weinig voetballers zijn zo sfeergevoelig als Peter van Vossen. De Zeeuw met het beenderige gezicht is altijd op zoek naar de sirene van vrienden en familie. Die hij stilzwijgend tot procuratiehouder heeft benoemd van zijn wensen en dromen, stille ambities en vooruitgangsgeloof. Bij Anderlecht vond hij de warmte niet, die club was hem te gepolijst, te bourgeois, te veel geföhnd gras. Ajax gaf hem wel intieme rust, ook omdat hij op maandagavond door Rijkaard en Blind altijd meegenomen werd naar de binnenstad. Dan leefde Peter op, voelde hij zich weer helemaal een met de groep, herkend en erkend als volwaardige Ajacied.

Van Vossen wilde niet weg bij Ajax, hij wilde alleen voetballen. De vernedering van de bank was niet langer te dragen. En dus vloog hij deze week in het kielzog van Beenhakker mee naar Istanbul. Waar hij gelijk door een Turkse Berlusconi overdonderd werd met een miljoenencontract voor twee jaar. Ik vrees het ergste.

Van den Brom is een leuke jongen maar evenmin als Van Vossen een prater en niet in staat tot verplicht geluk. Ik hoor nu al de stilte van een sterfhuis bij Istanbulspor. Tenzij Leo Beenhakker met zijn grappen en grollen nog eens ouderwets uitpakt. Maar dan rijst weer de vraag of een jongen als Van Vossen wel bestand is tegen de provocatieve humor van Beenhakker. De gewezen helmpoter houdt van een grapje, maar voor constructies met subtiele, semi-mondaine woordspelingen sluit hij zich af. Zelfs de lachsalvo's van de oud-bondscoach zijn door de jaren heen jargon geworden.

En wat als Beenhakker weer halfweg het seizoen afhaakt? Deze poëet-coach heeft zo stilaan het patent op vluchtige passages. Madrid, Grasshoppers, Saoedi-Arabië, Mexico, voor het grote ruien begon zagen de kippen in Tienhoven hun baasje altijd weer terug. Stel dat Beenhakker ook bij Istanbulspor na een half jaar opstapt. Dan neemt assistent-coach Fritz Korbach het over en zijn onze jongens aan de Bosporus letterlijk de sigaar. Zelfs het plezier in het klaverjassen is dan weg. Je kan beter een hele dag bij de kapper zitten dan een uurtje moeten trainen onder leiding van Fritz Korbach. Marco Borsato is minder geparfumeerd, minder klef en minder bezeten door zijn eigen spiegelbeeld dan deze aangespoelde voetbaltrainer. Met uitzicht op Korbach gaat zeker de sensibele Peter van Vossen te gronde.

Drie maanden Istanbulspor en niemand in Nederland weet nog dat Van Vossen ooit een wervelende, zij het soms wat onbeholpen international was. Een mooi mens, die als voetballer met zijn sleuren, slingeren en vlammen tot de verbeelding sprak, tuimelt op het financiële hoogtepunt van zijn carrière in het zwarte gat van Istanbulspor. Er staat de Zeeuw in Turkije een groot lijden te wachten. En hij zal het helaas alleen moeten dragen. Op de bank van Ajax was hij nog altijd zichtbaar, aanwezig, van ons. Straks is hij verdwenen, opgelost in de trieste nevel over een vreemde stad met niet eens een kerkhof voor voetballers.