Het trillen van de ziel

“Zij vouwde haar armen op haar rug en starend naar één punt, reciteerde ze ' 't Lied van de zee' van Hélène Swarth, zó mooi en gevoelvol, met heel haar ziel trillend in haar sympathieke stem dat lang nadat zij geëindigd had er een ademloze stilte heerste. De meeste meisjes hadden tranen in haar ogen.”

Zo hoort het als er poëzie wordt voorgelezen, zo als Maud van Eyghen dat in Top Naeffs Schoolidyllen doet, mooi en gevoelvol. De praktijk is helaas vaak anders, zoals ook op het aanstaande Poetry International wel weer zal blijken want dat blijkt daar ieder jaar. Veel dichters kunnen er niets van, van voorlezen. En hoe zouden ze ook? Ze hebben het op school niet geleerd, net zo min als degenen die geen dichter zijn geworden. De tijd dat leerlingen gedichten uit hun hoofd moesten leren en die voor de klas moesten voordragen voor een cijfer ligt helaas ver achter ons.

Wat is er toch gebeurd met het voorlezen van gedichten? Het moet op een gegeven moment gênant zijn geworden en uit de mode zijn geraakt. Thuis hadden wij vroeger verschillende Philips grammofoonplaatjes uit de reeks 'Poëtische klanken' waarop de tekst “op eenvoudige, vaak ontroerende, wijze gesproken (wordt) door de schrijvers en dichters zelf, of door bekwame acteurs en voordrachtskunstenaars...” Dat laatste is verbazingwekkend geworden, het geloof in bekwame voordrachtskunstenaars is verloren gegaan en wie wel eens een acteur met dramatische uithalen een gedicht om zeep heeft horen brengen, begrijpt waarom. De voordrachtskunst is geheel uitgestorven, niet omdat voordragen geen kunst zou zijn maar omdat we het een bespottelijk idee zijn geen vinden dat iemand zich erin zou bekwamen.

Toch is er van die hele serie plaatjes juist eentje met voordrachtskunst erop in mijn geheugen gegrift geraakt, dat waarop Claudine Witsen Elias gedichten van Nijhoff voorleest. Dankzij haar kende ik 'Het kind en ik' uit mijn hoofd, dacht geregeld aan de beginregels van 'Het bruidje' (“Zusters wanneer uw kleine zuster trouwt, Windt om haar kruin een krans van marjolijn”) en hoorde de geheimzinnige dwaze bijen zacht zoemen. Later ging ik mevrouw Witsen zonder haar ooit opnieuw te horen belachelijk vinden, omdat dat een oordeel was dat bij de tijd paste, en ik deed haar graag deftig na, hoe zij zei: “Een geur van hoger honing, verbètterde de bloemen...” Hoe onrechtvaardig dat was merkte ik toen ik laatst het plaatje terugvond en, uit op een spotlach, 'Het lied der dwaze bijen' opzette. Daar viel niets bij te lachen. Lang nadat zij geëindigd was heerste er een ademloze stilte en de meeste meisjes hadden tranen in haar ogen. Met welk een inzicht, rust, gedurfde maar niet overdreven nadruk, met welk een prachtige stiltes leest zij dat voor. Zie dan maar eens de laatste strofes aan te horen:

Het sneeuwt, wij zijn gestorven

huiswaarts omlaag gedwereld

het sneeuwt, wij zijn gestorven

het sneeuwt tussen de korven.

Natuurlijk zijn er dichters die van zichzelf heel mooi kunnen voorlezen. Hans Faverey kon het adembenemend stil en Lucebert onnavolgbaar zangerig. Kopland kan het eenvoudig en onopgesmukt en Claus kan elk gedicht tot in de puntjes doen tintelen. Maar hoeveel dichters heb ik hun eigen regels niet horen vermoorden door ze voor te lezen alsof elke zin een stroeve glijbaan is waarover men langzaam naar beneden zakt. Een plechtige leegte blijft er dan even hangen, waarin de dichter zich weer naar het hoogste punt toewerkt, en zffff daar glijen we weer langzaam omlaag. Alles wordt saai, alles wordt hangerig.

Moeten de voordrachtskunstenaars dan weer terug komen? Jawel. Niet om de dichters van hun plaats te dringen, want de dichter zelf hoort men toch het liefst, maar wel om ons te laten horen hoe het moet of kan. En dan moeten alle kinderen op school ook weer verplicht gedichten uit hun hoofden leren, en ze opzeggen ook, met sympathieke stemmen, waarin hun zielen trillen. En dat moeten wij dan niet gênant vinden, maar toejuichen: “Dat is bijzonder goed, Maud. Je hebt 't zeker wel meer gedaan.”