Het poëtisch vliegwiel; De kwetsbare gedichten van Pieter A. Kuyk

Pieter A. Kuyk: Zal ik je wijzen waar ik woon. Uitg. Van Oorschot, 67 blz. Prijs ƒ 24,90

Zal ik je wijzen waar ik woon van Pieter A. Kuyk (1922) is zijn eerste bundel bij Van Oorschot, maar niet zijn debuut. In 1982 al publiceerde hij In de kraag van kwaad weer bij De Beuk, en bij diezelfde uitgever verschenen Niet maar even weg te krijgen (1983) en Spoorloos bijeen (1988). Een ruime keuze uit dit werk werd bovendien in het Frans vertaald en in 1989 tweetalig in België uitgegeven.

De poëzie in die eerste bundels was behoedzaam geformuleerd, maar zonder vormkracht en ook zelden verrassend van idioom. Ze was op haar best charmant, soms 'aardig getroffen', maar daar bleef het bij. Wat ik vooral miste, was het zicht op (of zelfs maar het vermoeden van) een vliegwiel dat de dichter van dit werk op gang hield. Een drijfveer.

De eerste verzen in Zal ik je wijzen waar ik woon geven geen aanleiding tot een gunstiger oordeel. Het openingsvers is een moeizame opsomming van herinneringen, in kunstmatig gehakte regels van min of meer gelijke lengte.

De tennisbanen, de dennen in de verte

eromheen; de toegangspoort; de rij

zilverpopulieren van 't clubhuis naar

het centre-court; het hoge hek, afge-

schermd met groen doek; jij die langs

de stenen trap het terras afdaalde

vroeg of je met ons mee mocht slaan.

Is dit gestamel, dit onhandige kapwerk (met zo'n redeloos enjambement als 'afge-') poëzie? Ik vind van niet, en de tweede strofe sterkt me in die mening, hoewel ik even gecharmeerd werd door 'twee / jongens met in 't hoofd het donkerst van / een jongenskamer, dat sloeg niet best'.

De tien volgende gedichten zijn bij eerste lezing evenmin overtuigend. Toch raakte ik met het omslaan van de pagina's steeds nauwer betrokken bij wat Kuyk in 'Wanda', de eerste afdeling van deze bundel, onder woorden wil brengen. Hij doet dat beeldend, bij tijden raak, maar voortdurend tastend en soms zelfs hakkelend. Dat maakt een moeizame indruk, maar heeft alles te maken met de kwetsbaarheid van Kuyks thematiek. 'Wanda' is het verhaal van een jeugdliefde: de kortstondige, door standsverschil al breekbare relatie met een meisje dat in het verzet belandt, wordt opgepakt en niet meer terugkeert, behalve jaren later nog in de dromen en gedachtenspinsels van de dichter.

'Je komt de laatste tijd zo vaak' is de obsessieve titel van de derde en laatste cyclus van 'Wanda'. En dan is het poëtisch vliegwiel zozeer op gang gekomen dat Kuyk zich los kan zingen in kwetsbare maar consistente verzen, zoals:

Hier was het ongeveer; ik denk precies

daar

waar die bomen, daar boven hebben we

gewoond

een kerk met een hoge toren

we mochten er een winter in.

Ik mis zijn handje, zijn geloof in wolken.

Wat nieuwbouw werd is alweer bijna

oud mijn zoon een man, een beetje bang om

wat november soms nog met me doet

mijn inkeer is zijn oogopslag als

hij de tijd neemt, woorden zoekt.

Het is, besef ik nu, de onvoorwaardelijke kwetsbaarheid die in dit vers en enkele andere (zoals op pagina 36, 39 en 43) de lezer uitnodigt tot betrokkenheid. En dat maakt veel, zo niet alles goed. Verstechnisch mag er dan dan wat rammelen - het ontroert, en dat is niet het minste kenmerk van poëzie.

Vanuit dit perspectief gelezen kan Zal ik je wijzen waar ik woon niet meer teleurstellen. Na 'Wanda' volgen er nog twee afdelingen: 'Moest ik niet van je houden', het verslag van een verdrietige relatie, en 'Ingrepen', waarin het ouder worden wisselend wordt belicht. Als redacteur zou ik Kuyk sterk ontraden hebben om de laatste afdeling in deze bundel op te nemen; maar de gedichten in 'Moest ik niet van je houden' zijn indrukwekkende echo's van de Wanda-verzen. Wat mij betreft zijn de twaalf gedichten van deze afdeling alleen al de aankoop van de bundel waard. Al was het maar om de tweede en laatste strofe van 'Weer een dag', hoe onbeholpen Kuyk ook hier opnieuw het enjambement hanteert:

Pijn in oude botten als ik overeindkom

om naar bed; te lang in de verkeerde

houding van een droom gezeten, bijna

nacht; de jongen rijdt nog rond, ge-

ketend aan zijn jaren; weet niet dat

hij het is die lichten dooft

naar iemand uitkijkt die niet komt.

    • Arie van den Berg