Gevallen engel aan het zwembad; Indrukwekkend epos van Franco Loi

Franco Loi: L'angel. Canti di romanzo in 4 parti. Uitg. Mondadori Milaan, 412 blz. Prijs: ƒ 49,- (Bij Italiaanse boekhandel Bonardi in Amsterdam)

Franco Loi leest op Poetry uit eigen werk op vrijdag 16 en vrijdag 23 juni in De Doelen, Rotterdam.

Ik zie het in Nederland nog niet gebeuren dat een dichtbundel in dialect met duizenden exemplaren over de toonbank gaat. Ook in Italië - waar de dialectpoëzie een langere traditie bezit dan hier - vormt een dergelijk succes een uitzondering. Toch heeft het fenomeen zich daar voorgedaan, en wel bij het boek L'angel van Franco Loi, een dichter die komende week te horen en te zien zal zijn op Poetry International te Rotterdam.

Franco Loi is in Italië geen onbekende. HIj werd in 1930 geboren te Genua, maar verhuisde al op zeer jeugdige leeftijd naar Milaan. Daar oefende hij de meest uiteenlopende beroepen uit, totdat hij tenslotte in dienst kwam bij een grote uitgeverij. Hij schrijft verhalen en essays en is literair medewerker van verschillende bladen. Daarnaast publiceert hij al meer dan twintig jaar poëzie. Van het dozijn boeken dat hij in dit genre op zijn naam heeft staan is de vorig jaar verschenen bundel L'angel het voorlopige hoogtepunt.

De meest in het oog springende eigenschap van dit boek is wel het feit dat het geschreven is in het Milanees. Dit Milanees is niet het oorspronkelijke dialect van Milaan (het zogenaamde Meneghin), maar de taal die wordt gesproken door de honderdduizenden immigranten die sinds de oorlog vanuit alle delen van Italië naar de Lombardische hoofdstad zijn gestroomd. Deze immigranten, onder wie Loi lange tijd heeft geleefd en gewerkt, spreken een Milanees dat niet alleen vermengd is met allerlei regionalismen, maar dat ook sterk onder invloed staat van radio en tv. Het is een van de grote verdiensten van Loi dat hij dit proletarische idioom literair heeft vastgelegd. Overigens komen er in zijn boek ook stukken voor in het Genuees, het Colornees en het Romeins, maar deze passages nemen verhoudingsgewijs slechts een geringe plaats in.

Gelukkig laat Loi zijn dialectteksten vergezeld gaan van een 'vertaling'. Deze zorgt ervoor dat de gedichten, ondanks een onvermijdelijk verlies aan expressiviteit, voor iemand die Italiaans kent, goed te lezen zijn. Bovendien heeft hij een lijst van aantekeningen en een nawoord toegevoegd, die beide zeer verhelderend werken. En voor wie wil weten hoe de vork taalkundig in de steel zit, is er tenslotte ook nog een nota fonetica. Kortom, een voorbeeldig uitgegeven boek.

Met L'angel heeft Loi onbetwistbaar een opus magnum afgeleverd, zowel letterlijk als figuurlijk. Het boek is niet alleen indrukwekkend van omvang (meer dan 400 pagina's), maar ook van opzet en uitwerking. Het is een soort van autobiografie in verzen, maar dan zonder de bij dit genre gebruikelijke chronologische volgorde. Wat Loi doet is niet zozeer beschrijven dan wel oproepen. Zijn levensgeschiedenis ontvouwt zich in losse impressies, schetsen en dialogen, die diep uit het geheugen zijn opgedolven en vervolgens in een poëtische vorm zijn gegoten. Door Loi's associërende manier van schrijven springt de tekst voortdurend over van daad naar droom, van werkelijkheid naar fantasie, van lichaam naar geest. Daarbij schemert het raadsel van de menselijke identiteit overal tussen de regels door. “Wie zal het zeggen”, vraagt Loi zich ergens af, “wil ik degene zijn die ik van binnen ben of degene die men van buiten ziet?”

Achter de in de titel genoemde engel gaat de dichter zelf schuil. Hij beschrijft hoe hij, na op de aarde terecht te zijn gekomen, steeds nog het beeld van het paradijs in zich mee blijft dragen. Door zijn hemelse afkomst ziet hij op bepaalde momenten glimpen van het goddelijke aan zijn geestesoog voorbijflitsen. Volgens Loi is de mens een gevallen engel die diep in zijn binnenste nog de herinnering aan God heeft bewaard. “Ik ben eenvoudigweg iemand”, zo merkt hij in zijn nawoord op, “die weet dat de vrijheid niet ligt in de keuze tussen het een en het ander, maar in het antwoord geven aan de God die ons roept”. Gelovig in de traditionele betekenis van het woord is Loi zeker niet, maar hij hoopt wel op een bestaan dat de aardse werkelijkheid overstijgt, want “het is niet eenvoudig om aan te nemen dat wij kinderen zijn van het toeval.”

Dit klinkt allemaal nogal zwaar, maar in het gedicht zelf verdwijnen deze programmatische fundamenten grotendeels onder het enorme bouwwerk van herinneringen dat erin wordt opgetrokken: herinneringen aan personen, plaatsen, voorvallen, ontmoetingen en gesprekken, aan politieke acties, vriendschappen en liefdeservaringen, maar bovenal herinneringen aan de kinderjaren. Daar bevindt zich het paradijs waar de engel naar terugverlangt, de toestand van geluk die hij voortdurend probeert te hervinden.

Het is onmogelijk om de inhoudelijke pluriformiteit van Loi's episch-lyrische gedicht ook maar enigszins samen te vatten. De onderwerpen zijn te talrijk om zelfs maar bij benadering te noemen. De ene keer bezoekt de dichter het kerkhof Staglieno in Genua, de andere keer discussieert hij met zijn vrienden over de klassenstrijd, de ene keer ruimt hij sneeuw in het San Siro-stadion, de andere keer zit hij te vissen aan de Parma, de ene keer versiert hij een meisje in een Milanees zwembad, de andere keer bewondert hij het palazzo ducale in Colorno.

Deze evocatie van realistische beelden loopt bijna altijd uit op filosofische mijmeringen en beschouwingen. Loi is niet alleen dichter, maar ook denker. Hij schrijft verzen die tegelijkertijd mooi en diepzinnig zijn. Hierbij onderscheidt hij zich in positieve zin van veel andere moderne dichters doordat hij ondanks zijn diepte begrijpelijk en verstaanbaar blijft. Ik zou in de Italiaanse poëzie van na de oorlog geen dichtwerk kunnen aanwijzen waarin innerlijk en uiterlijk, subjectiviteit en objectiviteit, zich zo helder en harmonieus met elkaar verstrengelen.