Een teringlijder in de twintigste eeuw; De zwalkende mythe Jan Jacob Slauerhoff

Een rotvent en een klier werd hij door zijn tijdgenoten genoemd, of een 'zwervende catastrophe'. Het avontuurlijke leven van Jan Jacob Slauerhoff was heel wat omstredener dan zijn proza en poëzie. Maar uit de biografie die Wim Hazeu aan hem wijdde, blijkt Slauerhoff naast een gedoemd verskunstenaar óók een burgerman te zijn geweest.

Wim Hazeu: Slauerhoff. Een biografie. Uitg. De Arbeiderspers, 865 blz. Prijs ƒ 99,-

Rond mijn zeventiende ontwikkelde ik een voorliefde, die al spoedig schwärmerische trekken aannam, voor de mannen van Forum en hun geestverwanten, Du Perron bovenal, dan Ter Braak, Van Nijlen, Marsman, Vestdijk, Roland Holst ook - het was een van die juveniele dweperijen waarvan ik nooit geheel genezen ben. De auteurs uit de school van het existentialisme trokken me niet aan, naoorlogs was ik van mijzelf ook wel, maar ik zou er een lief ding voor over hebben gehad om één dag door te kunnen brengen op Gistoux, het kasteel van Du Perron bij Brussel, desnoods als bromvlieg... Die benijdenswaardige snob van een Du Perron, met zijn maatpak, zijn pose, zijn Barnabooth, die Nietzsche in het Frans las en zich liet kieken op de boulevard des Anglais! Die hele wereld van pakketboten, Spengler, surrealisme, Duitse dienstmeisjes en Indië, met al haar attributen, sokophouders, gleufhoeden en Nansen-passen! Ja, zelfs de dreiging van het fascisme leek me niet onaantrekkelijk, want volgens mijn laat-puberale inzichten was onze literatuur in de jaren dertig nu juist zo geweldig tot bloei gekomen, doordat mijn helden tegen de tijd vochten. (Vanuit Tanger, waar hij bij Slauerhoff logeerde, schreef Du Perron in 1934 aan Marsman: “Over een paar jaar is het misschien gasoorlog en zijn we allemaal als insecten uitgeroeid.”)

Nu, even oud als Du Perron toen hij in 1940 stierf, zie ik ze door de facetogen van de schrijver voor me, in bezield verband bijeen op Gistoux, vent naast vent, titaan naast titaan, bediend door de koloniale hofhouding van moeder Du Perron: Eddy zelf, Menno, Jan, Henny, Simon, Jany...

En Slau, niet te vergeten.

Zijn werk intrigeerde me weliswaar minder dan dat van Du Perron, al vond ik Het verboden rijk en enkele gedichten prachtig, maar zijn leven loog er niet om: toen ik C.J. Kelks Leven van Slauerhoff (uit 1959) had gelezen, nam ik mij voor ook te gaan zwerven, een stuk of wat boeken te schrijven en dan op mijn achtendertigste 'van 't schurftig schip te worden afgesloopt' (van dat laatste ben ik inmiddels teruggekomen).

Van Nietzsche heb ik geleerd dat men het domme fysiologische feit van het leven in een morele noodzaak moet veranderen, bijvoorbeeld door dichter te worden; van Slauerhoff heb ik geleerd dat men in dat geval maar beter niet in Holland kan blijven wonen.

Koortslijder

Jan Jacob Slauerhoff (1898-1936) werd door zijn tijdgenoten bewonderd, bemind, gehaat en van decadentie beschuldigd, maar over het algemeen was het oeuvre heel wat minder omstreden dan de mens. Zo vond de ene literator hem 'een zwervende catastrophe', de andere letterkundige omschreef hem als 'een schitterende dwaas (-) van wie de zakenlieden gedogen dat hij zijn verzen laat drukken, zoals zij gedogen dat een koortslijder ijlt', terwijl gindse scribent hem voor rotte vis schold: 'een rotvent en klier, met zijn gemene, sadistische karakter'.

Onder Hollandse lettrés doen al ruim zestig jaar anekdotes over Slauerhoff de ronde, waarvan Jeroen Brouwers er in Zachtjes knetteren de letteren een vijftiental heeft opgenomen, een opmerkelijk groot aantal voor een schrijver die zich zelden in de toenmalige Grachtengordel bewoog. Maar de petite histoire, vrouwengeschiedenissen inbegrepen, hechtte zich aan die varende romanticus als zeewier aan een scheepsromp. Zoiets is zeer interessant voor het ontwikkeld nageslacht. En daarbij komen natuurlijk de vele exotische reizen die hij als scheepsarts gemaakt heeft en die hem inspireerden tot honderden gedichten, drie romans, twee verhalenbundels, een toneelstuk en nog allerlei verspreid gepubliceerd krantenproza: voor een chronisch zieke globetrotter, gestorven op zo'n tot de verbeelding sprekende leeftijd, heeft hij reusachtig veel geschreven. Kortom, deze Slauerhoff, deze zwalkende mythe, is dankbaar materiaal voor biografen - behalve Kelk hebben ook Constant van Wessem (in 1940) en L.J.E. Fessard (in 1964) een levensbericht over de dichter-dokter in het licht gegeven, laatstgenoemde zelfs in het Frans.

En onlangs is Slauerhoff van Wim Hazeu verschenen, 'Een biografie', 'Met 123 foto's'.

Dit boek... welnu, het telt ruim 800 pagina's. Hazeu is met een zo uitputtende zin voor acribie te werk gegaan, dat hij zijn onderwerp bedolven heeft onder de beuzelarijen. Geen kusje of kuchje van de meester is hem ontgaan. Geen artikeltje blijft onbesproken. Hazeu lijkt wel een made die in zijn eentje een lijk heeft verorberd. Zijn boek is van een vraatzuchtige volledigheid, van een biografische boulimie zoals die in Holland nog maar één keer eerder is vertoond, namelijk door dezelfde Hazeu (ik bedoel zijn Gerrit Achterberg uit 1988).

O, ik heb alle respect voor zoveel ijver, ook als die mij met een mild afgrijzen vervult. Maar al lezend had ik soms het gevoel naar de zee te staren door een vergrootglas. En soms vond ik Slauerhoff wel erg dood, terwijl het toch juist de bedoeling van een biografie moet zijn om iemand tot leven te wekken.

Achthonderd bladzijden... Daarmee is Slauerhoff ongeveer twee keer zo dik als Arthur Rimbaud van Enid Starkie of T.S. Eliot van Peter Ackroyd, om een paar beroemde buitenlandse biografieën te noemen. Rimbaud, zevenendertig geworden, leidde een zo mogelijk nog krankzinniger leven dan Slauerhoff en was een veel groter dichter; Eliots leven kenmerkte zich vooral door een nog Britsere saaiheid dan die van de Britten zelf, maar hij werd bij gebrek aan opwinding wel zesenzeventig jaar en zijn poëzie leverde hem de Nobelprijs op.

Wat rechtvaardigt die bijbelse omvang van Slauerhoff? Openbaart Hazeu pikante bijzonderheden? Ontvouwt hij verrassende ideeën? Werpt hij een nieuw licht op dat ongelukkige leven?

Hmm.

Dat Slauerhoff ongelukkig was, wist ik al uit het boek van Kelk: liefdesperikelen, astma-aanvallen, ruzies, een doodgeboren kind, een stukgelopen huwelijk, nog meer ruzies, nog meer astma, tuberculose, eenzaamheid... Maar de Slauerhoff van Kelk is toch een beetje versuikerd, een beetje kleverig van de populaire opvatting dat dichters met het oog op hun kunst gaarne depressief zouden zijn (een salonmening van de door Flaubert beschimpte soort). Hazeu ontmythologiseert die Slauerhoff: hij wijst op de 'samenhang tussen Slauerhoffs ondergangsmotieven en de ondergaande beschaving als thema van het Interbellum', typeert de dichter als een poète maudit, maar ook als een Johannes de Doper van het naoorlogse existentialisme in Holland, nuanceert de romantische clichés, nuanceert zijn eigen nuances...anders gezegd, Hazeu haalt het beeld van zijn sokkel zonder het kapot te slaan - de Slauerhoff die hij neerzet, de genuanceerde Slauerhoff, de Hazeuse Slauerhoff, blijkt behalve een gedoemd verskunstenaar óók een burgerman te zijn geweest, of althans te hebben willen worden.

Slauerhoff is dus geen rotboek; en hoewel het proza van Hazeu als zodanig niet erg meeslepend is, leest de eigenlijke levensbeschrijving 'als een roman'. (Dat primaat van de roman heb ik nooit goed begrepen. Waarom zegt men nooit van een roman dat hij 'als een gedicht' leest? In het geval van Slauerhoffs romans zou dat heel toepasselijk zijn.)

Slodderhoverij

Maar achth... Enfin! Misschien ben ik wel een rotlezer, te ongeduldig, te verzot op de stijl die de vent is... En voorts is het boek van Hazeu vanuit academisch gezichtspunt beschouwd waarschijnlijk een meesterwerk - alleen ben ik niet zo vertrouwd met het academische gezichtspunt.

De 123 foto's in Slauerhoff zijn verrukkelijk! Over een ervan citeert Hazeu navolgende uitspraak van Du Perron: 'Slauerhoff had een merkwaardig gezicht, niet alleen asymmetrisch, maar in zichzelf tegenstrijdig. Bovendien kan men erbij fantaseren, dat het zo gek nog niet was wat hij van zichzelf zei: “Ik voel me soms een gereïncarneerde Chinees.”

Die tegenstrijdigheid school evenzeer in zijn karakter. De onorthodoxe romanticus Slauerhoff, met zijn discrete verlangen naar burgerlijkheid, was een groot rokkenjager, maar hij wilde per se trouwen. Hij hunkerde naar vriendschap, maar blonk uit in de kunst vijanden te maken. Hij was een Friese provinciaal, maar vond Europa veel te benauwd. Hij...

Tot de Slauerhoviaanse dubbelzinnigheid behoorde voorts zijn legendarische slordigheid: onleesbaar handschrift, flodderige kleding, wanordelijk liefdesleven - dit alles heeft zijn levensverhaal gekleurd als een druppel wijn de zee. Slauerhoff was inderdaad licht-chaotisch, zijn kajuit zag eruit als een studentenkamer en zijn hart als een vuilstortplaats. Maar tegelijkertijd cultiveerde hij zijn slordigheid, zijn slauerigheid, die een wapen was in zijn oorlog met Holland en de Hollandse literatuur. Zo schreef hij in 1926 vanuit het door burgeroorlogen geteisterde China aan de brave letterkundige D.A.M. Binnendijk: “'t Is maar goed dat ik weg ben want ik word krankzinnig van al jullie thesen en schoonheid.” De dichter Slauerhoff had lak aan 'letterkunde' en de regelen ener welvoeglijke prosodie: zijn poëzie moest horten en vloeien, stoten en stromen, in de geest van Tristan Corbière, van wie hij zich eveneens soms een wedergeboorte voelde. En om dat effect te bereiken, ging hij zeer secuur te werk, wars van iedere slodderhoverij. Hooguit raakte hij weleens een heel vers kwijt.

Niet alles aan Slauerhoff valt slechts langs psychoanalytische weg te verklaren. Toen hij medicijnen studeerde in Amsterdam, waar hij zijn kamer op de Bloemgracht als een klein scheepvaartmuseum had ingericht, bewoog hij, de Leeuwarder, het kind van middenstanders, zich noodgedwongen in een milieu dat bevolkt was met patriciërszoontjes, genre corpsbal, veel arrogantie, veel hete aardappel, voorafschaduwingen van de even onuitstaanbare Hollandse kolonialen die hij als scheepsdokter zou ontmoeten - jegens deze Ubu-achtigen gedroeg hij zich met een vorstelijke minachting, een overlevingsreflex waaruit later zijn beruchte 'ploertigheid' zou voortspruiten, zijn onaangepastheid, zijn haat tegen de burgerij en tegen Holland.

Die haat beleed de dichter met een Hollandse beginselvastheid, maar op dat 'syndroom van Slauerhoff' kom ik nog terug. Voorlopig volstaat het te zeggen dat ik op dit punt onvoorwaardelijk met hem sympathiseer. Die Hollandse mengeling van verwatenheid en geborneerdheid tegenover 'de provinciaal' heb ik zelf vaak genoeg ervaren, om van de Hollandse houding tegenover 'de dichter' nog maar te zwijgen... men zou van minder tot kosmopoliet ontwortelen. (Daarvoor moet men natuurlijk wel eerst wortels hebben. Het geval Slauerhoff is een uitstekend voorbeeld van de stelling dat alleen een ware provinciaal een ware kosmopoliet kan worden - een gedachte die voor het Hollanderdom, aangegrepen door een panische angst voor provinciaal te worden aangezien zodra het een buitenlander ontwaart, onbegrijpelijk en haast obsceen is.)

Poste-restante adressen

Slauerhoff debuteerde in 1923, met de bundel Archipel; in datzelfde jaar studeerde hij ook af. In januari 1924 monsterde hij aan op een boot die naar de Oost voer. Daarmee begon een leven in en tussen vier continenten, verstrooid over poste-restante-adressen in tientallen havensteden. Soms streek hij als een gewonde albatros ergens neer, te ziek om verder te reizen; soms nam hij een paar maanden voor een collega in het vaderland waar. In 1934 vestigde hij zich voor enige tijd als huisarts in Tanger, maar in de Slauerhoviaanse chronologie was 'enige tijd' nog steeds erg kort.

Als scheepsdokter was hij een en al toewijding en geduld, behalve voor de koloniale hypochonders onder de passagiers. Over de varende Slauerhoff bestaan dan ook weinig anekdotes. De beste is deze: toen hij op een keer bij het schijnsel van een kaars in een fles rustig zat te lezen, gaf een lid van de bemanning hem onverwacht een amicale klap op zijn buik... waarop de gramstorige arts zijn lichtbron op de schedel van de varensgezel in scherven sloeg, met de woorden: “Kom morgenochtend maar naar mijn spreekuur.”

Die Slau!

Maar overigens was hij de zorgzaamheid in persoon. Over een reis met een koelieboot van de Java-China-Japan-lijn noteerde hij: '2200 passagiers, koelies slaven veel zieken en dooden. Duizend was nog te veel voor zo'n schip de mensen stikten half, in die ruimen.' Uit deze zinnen wordt wel duidelijk dat Slauerhoff zich meer van onderdrukte Aziaten dan van komma's aantrok.

Aziaten... De gereïncarneerde Chinees voelde zich verwant met de Chinezen, mogelijk omdat ze even onbegrijpelijk waren als hijzelf. Zijn voornaamste prozawerken en veel van zijn gedichten spelen zich in China af - en hoewel dat land mij volstrekt niet interesseert, vind ik het in zijn grote roman Het verboden rijk opgeroepen beeld van China nog altijd overweldigend. (Dat boek dateert uit 1932, dus de zegenrijke arbeid van de maoïsten moest nog beginnen. Ik vraag me af hoe het moderne China er in een door Slauerhoff geschreven roman uit zou hebben gezien.)

Wat zocht hij eigenlijk in China? Wat zocht hij überhaupt in deze wereld, in Azië, Zuid-Amerika, Afrika, Portugal, Spanje?

Om te beginnen iets concreets, een voor zijn bronchiën heilzaam klimaat, maar dat scheen alleen in Zwitserland te bestaan, geen aantrekkelijk oord voor een zeeman, al zou hij er tegen het eind van zijn leven 'enige tijd' kuren. Voorts iets vaags, iets dat ik nu maar 'het eiland der gelukzaligen' zal noemen, een soort veredeld Vlieland (aan het echte Vlieland, waar zijn moeder vandaan kwam, bewaarde hij rozige kinderherinneringen). En tenslotte iets dat zowel concreet als vaag was: een geliefde die alle andere overbodig zou maken, een droomvrouw dus.

Er valt een homerische lijst op te stellen van alle adressen die Slauerhoff in zijn leven heeft gehad, maar de lijst van al zijn vriendinnen zou niet veel korter zijn. Hazeu geeft een opsomming van de vrouwen die in het jaar 1930 op diverse plaatsen in de wereld op hem zaten te wachten; die vrouwen behoorden onder meer Claire Fouletier, de tuberculeuze echtgenote van een Franse dokter, in wiens huis in Shanghai hij opium had leren schuiven, en een zekere Georgette Barbé, een Franse prostituée, die zich op de boot naar Argentinië voor een geslachtsziekte door hem had laten behandelen, op zijn aandrang naar Europa was teruggekeerd en nu als daghitje bij de familie Du Perron werkte.

Die laatste casus doet denken aan mannen die bordeelbezoek combineren met de zoete begeerte om een gevallen meisje te redden, maar Slauerhoff, geen hoerenloper, al had hij weleens de binnenkant van een rood paleis gezien, heeft effectief enkele vrouwen voor een leven als blanke slavin behoed.

De lijst van Hazeu wijst op een voorkeur voor Françaises (3) en gehuwde vrouwen (ook 3). Het eerste is toeval, het tweede klopt in zoverre dat de meeste vrouwen getrouwd waren en Slauerhoff muntte nu eenmaal niet uit in erotische zelfbeheersing. Hij, de dichter, charmant, verlegen op een onweerstaanbare manier, palmde ze makkelijk in en raakte ze vervolgens moeilijk kwijt - ja, hij was dol op het vrouwvolk, maar met zijn individuele veroveringen wist hij geen raad.

Kavalje

Voor het huwelijk had Slauerhoff evenveel talent als een made voor bellettrie. Niettemin trouwde hij, notabene nog in datzelfde jaar 1930, met de danseres Darja Collin, blond, rank, zo uit een Botticelli gestapt, die hij bij de dichter en danscriticus Werumeus Buning had ontmoet. Voorspelbaar genoeg werd de echtverbintenis een catastrofe, want zij bleef dansen, hij varen, en het belangrijkste wat ze met elkaar deden was corresponderen. Symbolisch genoeg kwam hun enige kind dood ter wereld. Dat was in maart 1932.

Daarna zat de duivel hem steeds dichter op de hielen.

In 1935, het jaar waarin de echtscheiding werd uitgesproken, was Slauerhoff lichamelijk een wrak, een kavalje, om in maritieme termen te spreken. Zijn opiumgebruik in Shanghai was nog een vorm van 'exquise vergiftiging' geweest, maar nu moest hij grote hoeveelheden morfine en codeïne slikken om zijn pijnen te verdoven - zijn lijdensbeker was gevuld met een cocktail van astma, malaria en tuberculose. Dit ziektebeeld, Hollands, exotisch, negentiende-eeuws... het paste bij hem, als ik dat zo mag uitdrukken. Tering was de maladie des poètes, geassocieerd met een bepaalde geestesgesteldheid, weltschmerz, bitterheid, het brandende besef tegelijkertijd vervloekt en uitverkoren te zijn, allemaal zeer Slauerhoviaans dus. De tering heeft Keats, Novalis, Tristan Corbière gesloopt, en met een kleine denksprong komt men tot de conclusie dat Slauerhoff, die teringlijder uit de twintigste eeuw, de enige vooraanstaande Hollandse dichter uit het 'lieflijk maar al rottend landschap' van de negentiende eeuw was. (De prozaïst Slauerhoff was daarentegen een voorloper: een proto-existentialist, misschien, in elk geval de stamvader van het geslacht der reisschrijvers, Nooteboom voorop.)

Hij stierf op 5 oktober 1936, niet in Shanghai of Hongkong maar in Hilversum. Jany Roland Holst had als laatste aan zijn bed gezeten; met Du Perron was hij toen al een jaar gebrouilleerd.

Een pronkstuk uit de anekdotentrommel is het verhaal dat Slau bij een bezoek aan Gistoux het rijkeluiszoontje Eddy, dat stuk Indische landadel, onbarmhartig pestte door bromvliegen tussen de pagina's van zijn lievelingsboeken tot moes te pletten (dat amuseerde me enorm toen ik zeventien was).

Had Slauerhoff inderdaad een 'gemeen, sadistisch karakter', zoals Victor van Vriesland beweerde? Ik zou eerder zeggen dat hij leed aan een radicale onverenigbaarheid van zijn karakter met de wereld, het mensdom, het Hollanderdom, het Slauerhoffdom vooral... Hij was een vent met een aangeboren barst in zijn persoonlijkheidsstructuur. “Ontdoe een Slauerhoff van zijn demonie,” zei Vestdijk, “en men ontdekt een geest over welks burgerlijkheid men zich niet genoeg verwonderen kan.” Hazeu vertelt dat Slauerhoff in 1928 bijna 2000 gulden in 'Duitsche gemeente-obligatiën' investeerde; en op een gegeven moment smeedde de bohémien, die slechts in zijn gedichten wonen kon, serieuze plannen om een buitenhuisje te kopen. Des te enthousiaster verafschuwde hij de bourgeoisie, Holland, zichzelf.

'Ik kan niet zeggen hoe ik Holland haat.'

Hoe aanstootgevend! Maar de Hollandse cultuur was een spiegel waarin hij naar een monsterlijke uitvergroting van zijn eigen bekrompenheid staarde, zijn eigen tics, zijn eigen... (Overigens heb ik dit altijd een zwakke regel gevonden, want welke dichter zegt nu dat hij iets niet zeggen kan?)

Voilà, dat is dus het 'syndroom van Slauerhoff', voor Hollanders verklaard door iemand die er zelf aan lijdt.