Een god van porselein; Paul Weller: van mod-rocker tot kwetsbaar popster

De Engelse popzanger Paul Weller werd in de punktijd beroemd met de gitaargroep The Jam, maar verloor zich daarna in modieuze experimenten. Pas als solo-artiest in de jaren negentig slaagt hij erin zijn lang gekoesterde ideaal uit te voeren: de soepele vermenging van rock en soul. Morgen geeft Weller een concert op het Halfway-festival in Spaarnwoude.

Paul Weller: Stanley Road (Mercury Records 828 619 2). Weller treedt morgen om 15.20u op op het Halfway-festival, in het Recreatiegebied Spaarnwoude.

De Engelse popmuzikant Paul Weller groeide op aan Stanley Road in Woking, een kleine plaats onder de rook van Londen. Als hij vroeg hoe lang een mijl was zei zijn vader 'van hier tot het eind van onze straat'. De kleine Weller tuurde naar de mist aan het eind van Stanley Road en bedacht zich dat ergens achter die horizon Londen moest liggen, de stad waar het leven pas echt zou beginnen.

Ruim tien jaar later ging Paul Weller, inmiddels zanger, gitarist en het gezicht van The Jam, als ster naar Londen. Maar de hunkering van de provinciejongen naar de grote stad, naar 'waar het allemaal gebeurt' zou hij nooit meer kwijtraken. Een groot deel van Wellers tientallen songs wordt verteld uit het gezichtspunt van de forens, de small town boy, het provinciaaltje. Voor zijn onlangs verschenen nieuwe cd ging hij zelfs terug naar zijn geboortestraat. Weller schreef er een nummer over en noemde zijn plaat ernaar: Stanley Road - als metafoor voor de beloftes en mogelijkheden die het leven in zich draagt.

In het krachtige 'Stanley Road' zingt hij over de verwachtingen van een kleine jongen, al is voor Weller zelf het leven inmiddels voor een belangrijk deel bestendigd. De 37-jarige Paul Weller is nu twee decennia in meer en mindere mate succesvol als muzikant. Nadat hij in de punk-tijd was doorgebroken met het trio The Jam ontbond hij de groep in 1982, op het hoogtepunt van haar roem. Weller verspeelde vervolgens een groot deel van zijn aanzien met het pretentieuze project The Style Council - dat geen optredens deed maar 'Council Meetings' organiseerde. De samenwerking met pianist Mick Talbot liep stuk aan het einde van de jaren tachtig. Daarna begon Wellers solo-carrière.

Hij maakte een voorzichtige comeback bij een kleine, onafhankelijke maatschappij; The Style Council was eind jaren tachtig wegens gebrek aan succes door hun platenmaatschappij op straat gezet. Maar in de loop van de afgelopen vijf jaar, waarin hij drie cd's heeft uitgebracht, heeft Weller zijn reputatie hersteld. En de erkening die hij nu krijgt geldt niet alleen zijn huidige werk, maar ook het verleden: The Jam en zelfs The Style Council worden tegenwoordig door de nieuwste lichting Engelse groepen regelmatig als invloed genoemd.

Zo is de cocktailjazz, waar The Style Council begin jaren tachtig als popband mee pionierde, terug te vinden bij de moderne jazzdance van Mother Earth en The Brand New Heavies. Bands als Oasis en Supergrass verklaren zich geïnspireerd door de korte felle popnummers van The Jam, en een van Engelands populairste groepen van het moment, Blur, heeft niet alleen in muziek gelijkenis met The Jam maar ook in uiterlijk, dankzij hun parka's en opgeknipte rattekopjes.

Dandy's

The Jam wordt ten onrechte vaak ingedeeld bij de punkbeweging. Want al brak de groep door toen punk regeerde, al heeft Paul Weller een working class-achtergrond en een Cockney-accent, The Jam was in die tijd net zo weinig punk als Guns N' Roses grunge. De leden van The Jam waren mods, navolgers van de jongeren die zich in de jaren zestig verzetten tegen de rockerscultuur. Rod Stewart was een mod, Nick Lowe was mod, The Who waren mods en halverwege de jaren zeventig waren Paul Weller, bassist Bruce Foxton en drummer Rick Butler ook weer mods.

De mods waren een exclusief Engels fenomeen, en dat is niet verwonderlijk; de Britten zijn de dandy's van de popmuziek. Mods hadden nauwkeurige voorschriften voor haardracht, schoenen, kleding, vervoermiddel en muzieksmaak,gebaseerd op wat Paul Weller ooit samenvatte met 'als het maar import is'. De scooters kwamen van Vespa, de muziek was Amerikaanse soul en rhythm'n'blues en de schoenen waren van Italiaanse snit.

Anders dan punk kende de modbeweging geen ideologie. Dat Paul Weller halverwege de jaren zeventig punk als stroming wel te pruimen vond, was omdat de muzikanten 'tenminste geen baarden hadden'. Anderzijds werd The Jam door de punkbeweging nauwelijks serieus genomen: Weller, Foxton en Buckler in hun scherp gesneden pakken, stropdassen en witte overhemden waren tenslotte het soort jongens dat nog bij ieders ouders in de smaak kon vallen.

En als The Jam op de eerste paar platen misschien enigszins punk-achtig klonk, dan was dat vooral uit onbeholpenheid. Later schreef Weller steeds volwaardiger popsongs, orkestreerde zijn composities met violen en blazers, lonkte naar The Beatles en speelde, geheel in de mod-traditie, een cover van Martha Reeves & The Vandella's' soulhit 'Heatwave'. En toen hij de mogelijkheden van het gitaartrio had uitgeput, begon hij The Style Council om nog meer invloeden te kunnen verwerken.

Maar op één punt waren The Jam en de punkgroepen verwant, en wel in de thematiek van Wellers teksten. Zoals Weller later zou toegeven, was hij beïnvloed door Joe Strummer van The Clash, die ergens had opgemerkt dat in songteksten onderwerpen uit het dagelijks leven behandeld moesten worden. En hoewel het zijn eigen idee niet was, voerde Weller die missie met verve uit. Parallel aan Wellers muzikale groei ontwikkelden zijn teksten zich van het eendimensionale rijm tot verhalende, goed verstaanbare miniaturen uit het leven van Jan met de pet.

Alan Sillitoe

Al had Weller zèlf het leven van de werkende jongere nooit gekend, hij kon zich er uitstekend in verplaatsen. Zijn hoofdpersonen waren grauwe forensen en gesjochten fabrieksarbeiders die altijd 'Smith' of 'Jones' heetten. Als de Alan Sillitoe van de popmuziek schetste Weller hun bestaan van koeioneren in het weekend en gekoeioneerd worden door de week. Zoals de jonge arbeider die droomt van zijn loonzakje in 'Pretty Green', en de ploeterende huisvader die na zijn werk met een portie curry op weg is naar zijn vrouw en op het metrostation in elkaar wordt geslagen, in 'Down In The Tube Station At Midnight'.

De realistische sfeertekeningen en de energieke muziek van The Jam maakten het trio tot de helden van de werkende klasse. Maar toen Paul Weller zich een paar jaar later met The Style Council presenteerde, keerde zijn aanhang zich en masse van hem af. Misschien lag het aan de ongerijmde combinatie van dit soort levensbeschrijvingen met de gekunstelde instrumentatie die The Style Council liet horen. Want afgezien van een aantal sterke singles, speelden Paul Weller en Mick Talbot hun platen vol met onderuitgezakte deuntjes, krampachtig versierd door jazzy marimba's en een incidentele Cockney-rap van Weller.

The Style Council was, zoals de naam al aangeeft, in de ban van stijl en mode. Paul Weller ontdeed zich van zijn mod-image en ging over op een modieus geblondeerd kapsel en suède jasjes. Toen The Style Council eens een benefiet-concert gaf voor een mijnwerkersstaking werden Weller en Talbot door de socialistische organisatie aangesproken op hun gesoigneerde uiterlijk. Weller riposteerde dat dit nou typische middle-class-kritiek was, en dat je als je uit de werkende klasse kwam wist hoe belangrijk kleren zijn; dat jongeren al het geld dat ze verdienen traditiegetrouw besteden aan kleren en grammofoonplaten. Desalniettemin groeide de kloof tussen Weller en zijn voormalige fans, en werden Talbot en The Cappuccino Kid, zoals Weller zich op zijn lp-hoezen noemde, uiteindelijk afgedaan als 'fashion victims'.

Na de breuk met Talbot, die een feit werd toen Polydor weigerde de plaat 1990: A New Decade In Modernism uit te brengen, volgde bij Paul Weller vanaf 1990 de versobering; zowel uiterlijk als muzikaal. In de jaren tachtig had hij zich verloren in techniek en studio-werk, en zijn gitaar onaangeraakt gelaten. Nu keerde Weller zich weer tot de platen die ooit voor hem van belang waren geweest. Hij luisterde naar The Who en The Small Faces en ontdekte opnieuw de 'rock', zoals hij tien jaar tevoren de soul had herontdekt.

Nu hij alleen werkt slaagt Weller er eindelijk in zijn lang gekoesterde ideaal uit te voeren: de soepele vermenging van rock en soul. Wellers hese stem is het accent kwijt en zijn zang is losjes en gevoelvol, De nieuwe composities zijn door gitaar gedomineerde nummers maar hebben een heupwiegend ritme. En voor het eerst zingt Weller uitsluitend over wat hij zelf aan den lijve ondervonden heeft. Dat kan over de liefde zijn, of, zoals in 'Porcelain Gods' op Stanley Road, over de kwetsbare status van een popster:

How disappointed I was

To turn out after all

Just a porcelain God

That shatters when it falls.

Het cd-omslag van Stanley Road werd ontworpen door Peter Blake, bekend van de hoes van Sgt. Pepper's Lonely Hearts Club Band. Het toont een tekening van de jonge Paul Weller die een foto van de volwassen Weller in zijn handen houdt. Zo verbeeldt Blake de muzikant die na jaren van samenwerking met anderen op zichzelf is teruggeworpen. Weller heeft zijn wereld verkleind en zijn eigen leven tot onderwerp gemaakt, in plaats van dat van de werkende klasse. Op de 37-jarige Paul Weller lijkt de uitdrukking van toepassing: 'wie vòor zijn dertigste geen socialist is, heeft geen hart - wie het na zijn dertigste nog is, heeft geen verstand.'