Een bouwput biedt geen onderdak; Remco Campert beschrijft in 'Dichter' het falen van de poëzie

Zoals ook weer uit zijn onlangs verschenen verzamelbundel 'Dichter' blijkt, staan veel van Remco Camperts gedichten in het teken van het falen. De dichter heeft de 'schoonheid' die hij wil vangen voor ogen zweven, maar wat hij vangt blijft een zwakke afspiegeling van wat hij zag.

Remco Campert: Dichter. Uitg. De Bezige Bij, 666 blz. Prijs: ƒ 75-. Remco Campert: Ohi, hoho, bang, bang of het lied van de vrijheid. Uitg. De Bezige Bij, 87 blz. Prijs: ƒ 17,50. Remco Campert leest op Poetry op za. 17 juni, om 20.00u in De Doelen.

Ik ken geen toverwoorden als volk of solidariteit Het is op het eerste gezicht vreemd dat Remco Campert, de auteur van deze regels, een van de trouwste gasten van Poetry International is. Sterker nog, Campert is voor zover ik weet de enige dichter die aan Poetry een prozawerk van enige omvang heeft gewijd. In de onlangs verschenen novelle Ohi, hoho, bang bang of het lied van de vrijheid steekt hij de draak met alles wat wel Poetry is maar geen poëzie.

Het pathos van sommige dichters, de wereldverbeterende bijbedoelingen van het festival, de hooggestemde meelopers - het wordt allemaal onthaald op Camperts demaskerende ironie. (“Ah, de poëzie”, zei Tiny Overflakkee die een verrassend schel stemmetje had. “Je peux pas sans.”) Toch is de novelle geen afrekening met Poetry. De ironie kan niet verhullen dat het boekje uit genegenheid is geschreven.

Wie Camperts kort geleden verschenen verzamelde gedichten leest, uitgegeven onder de titel Dichter, begrijpt ook wel waar die genegenheid vandaan komt. Weinig Nederlandse dichters hebben zo onverhuld over andere dichters en het dichten geschreven als Remco Campert. En net als Ohi, hoho, bang bang... werpt die poëzie een demaskerende blik achter de schermen van het dichterschap.

Het streven en het falen van de dichter gaan bij Campert al samen sinds 'Credo', het gedicht waarmee zijn eerste bundel Vogels vliegen toch (1951) opent. Het beschrijft wat de dichter wil ('water naar de rotsen dragen'), maar noteert meteen ook de onmogelijkheid om dat in woorden te doen.

Die gedachte wordt ook heel mooi verwoord in het gedicht 'Jij bent het woord', uit de bundel Met man en muis (1955):

Alles heeft een woord, maar geen woord leeft behalve het ene woord dat jij bent. Ik doe als ik dicht een bevende greep in letters. Dat is hopeloos als zondagmiddag, als onecht licht. Jij bent het volmaakte woord het volmaakt gedicht. Van dit gedicht loopt, door veertig jaren, een rechte lijn naar Ohi, hoho, bang bang.... Hoofdpersoon van de novelle is de dichter Menno van der Staak en zijn nieuwste bundel heet Bouwput. Dat lijkt een leuk Campert-grapje. Maar de titel vat precies de gedachte samen die als een rode draad door Camperts poëzie loopt. De gedachte dat een gedicht nooit volmaakt is. Letterlijk èn figuurlijk: een gedicht is nooit perfect en nooit af.

De dichter, zo zou je Camperts in de puinhopen van de Tweede Wereldoorlog wortelende 'poëtica' kunnen samenvatten, is iemand die in besmeurde laarzen en met een groezelige helm op, onafgebroken met zijn woorden loopt te zeulen. Het gebouw waaraan hij in zijn levenslange bouwput werkt, zal nooit voltooid zijn. De steigers zijn het hoogst haalbare kunstwerk. Camperts verzamelde werk bevat dan ook tal van gedichten waarin hij tamelijk ijzig zijn wat meer aanmatigende 'collega's' toespreekt.

Hendrik de Vries, bijvoorbeeld, met zijn streven naar 'goddelijke levensgeur' en 'onsterfelijkheidsaroma'. Of, wat recenter, de Sovjet-dichter Jevgeni Jevtoesjenko: 'Gestoken in gloednieuwe/ vrijetijdskledij/ staat hij te bazuinen/ de dichter als profeet/ luidspreker van het menselijk/ wel en wee.' Erg goede gedichten zijn dit vaak niet. Maar duidelijk zijn ze wel: 'luidsprekende' dichters deugen niet. Hun poëzie bevat Campert te veel 'toverwoorden'.

Gelukkig heeft Campert over het falen van de dichter en het gedicht veel prachtige poëzie geschreven - een van de redenen waarom het een genot is om in Dichter zijn werk te herlezen. Het hierboven geciteerde 'Jij bent het woord' is daar een voorbeeld van. Net als een groot aantal andere, wat inzet betreft vergelijkbare gedichten, legt het glashelder bloot op welk punt poëzie precies faalt.

Het gedicht strandt altijd in het zicht van de haven: de dichter heeft de 'schoonheid' die hij wil vangen voor ogen zweven, maar wat hij vangt is een zwakke afspiegeling van wat hij zag. Niet voor niets bestaan veel van Camperts gedichten uit een opsomming, een min of meer letterlijke beschrijving van mooie momenten. Het falen van de dichter is in die gedichten ingebakken: het zijn allemaal momenten die poëzie zouden kúnnen zijn.

In het bekende gedicht '1975' drukt Campert die gedachte uit door het beroemde adagium van Lucebert - 'In deze tijd heeft wat men altijd noemde/ schoonheid schoonheid haar gezicht verbrand' - een andere draai te geven.

Maar ook wij toen we een gooi naar het grootse deden hadden niemand iets te bieden dat een schuilplaats gaf voedsel in een maag een schaar om prikkeldraad door te knippen nauwelijks een doek voor het bloeden of schoonheid die een gedicht verbrandt. 'Schoonheid die een gedicht verbrandt': pas op dat moment slaagt de dichter, houdt zijn poëzie op maakwerk te zijn. Een onmogelijke opgave. Misschien dat het in de muziek, bij Campert met name de jazz, en de schilderkunst wel kan. Odes aan dat soort kunstenaars zijn in elk geval een substantieel onderdeel van Camperts oeuvre. 'Je blies in je handen en er was muziek', dicht hij over de saxofonist Charlie Parker. De jaloezie is voelbaar in deze regel: ging het woordmuzikanten maar zo makkelijk af.

Bovenstaand fragment van '1975' drukt nog een ander, bij Campert niet minder cruciaal aspect uit van het dichterlijk falen. Het verklaart ook zijn aan het begin geciteerde afkeer van dichters die schermen met 'toverwoorden' als solidariteit. Poëzie verbetert de wereld niet: een bouwput biedt niemand onderdak. Bij nader inzien is Camperts tweeslachtige genegenheid voor Poetry dus niet zo vreemd. Het is er allemaal misschien 'hopeloos als zondagmiddag', hij loopt daar in Rotterdam wèl rond in de kern van zijn eigen oeuvre.