Dichteravond; Brief uit Amerika

Woolfson de voetdokter ontmoette ik op een braderie. Hij wilde me een huis verkopen en toen hem dat niet lukte heeft hij me voorgesteld aan de erotische dichteres Leslie.

Een man van de ballentent had me nageroepen, “,win een teddybeer voor je liefje, ook als je niets wint krijgt ze de teddybeer.” Toen ik me omdraaide wist ik al dat ik niet van hem af zou komen. Hij zou met me meelopen tot het eind van de straat of hij zou het zijn familieleden laten doen. Er was weinig belangstelling voor de ballentent. Alleen Woolfson de voetdokter was bezig ballen te gooien. Hij viel me onmiddellijk op. Hoewel het bijzonder warm was droeg hij een blauw pak. Zijn zwarte haren zaten strak achterover gekamd. En hij rookte een sigaret die hij niet uit zijn mond nam terwijl hij gooide. Woolfson keek naar me toen het mijn beurt was alsof ik bij de attractie hoorde. Ik raakte niets. De man gaf me een teddybeer en ik wilde alweer weglopen toen Woolfson zei, “u werpt met uw pols, maar u moet uw arm het werk laten doen.” Hij gooide. “Kijk, zoals ik”, zei hij. En meteen erachteraan, “geef deze jongeman drie ballen.” Ik gooide om hem een plezier te doen. Bij de derde bal pakte hij mijn hand en deden we het samen, maar ook dit hielp niet. “U moet nog veel oefenen”, zie hij, “wilt u het nog een keer proberen?” Ik bedankte vriendelijk. “Doet u dit wel vaker”, vroeg ik. “Soms”, zei Woolfson, “sinds mijn pensionering ben ik nogal veel op straat.” Hij gaf me zijn kaartje. Al zijn bewegingen waren bijzonder gracieus: Ik vroeg me af of hij vroeger balletdanser was geweest. Op zijn kaartje stond: Woolfson, voetdokter. “Ik behandel alleen nog wat oude patiënten die echt niet zonder mij kunnen.” Hij bracht me naar een terras waar ze hotdogs serveerde.

Toen hij hoorde dat ik uit Nederland kwam zei hij: “Kopstoot.” “Dat is het enige woord dat ik nog ken”, verduidelijkte hij. “Houdt u van zuurkool of liever zonder?”

Ik weigerde, maar hij stond erop dat ik een hotdog zou eten. “Ik heb veel aan Nederlanders te danken gehad.” Hij nodigde me uit de volgende dag naar zijn huis te komen.

Woolfson zei, “wees gerust, u zult niet de enige zijn.” “Geeft u een feest?”

“Feesten geef ik al dertig jaar niet meer, maar een keer per maand stel ik mijn huis ter beschikking voor een bonte avond, een soiree.”

Hij stak een nieuwe sigaret op. “Bent u een weldoener?” vroeg ik. Pas toen ik de vraag had uitgesproken besefte ik dat het woord 'weldoener' niet echt op zijn plaats was.

“Allesbehalve”, zei Woolfson, “maar als je alleen maar overlijdensadvertenties leest ga je vroeg dood.” Toen wees hij op een man bij de ballentent. “Die kan er ook niet veel van”, zei hij. Daarna namen we afscheid.

Toen ik de volgende avond bij hem aanbelde deed een jonge dame open. “Ben je hier voor de eerste keer?” vroeg ze. “Woolfson heeft me uitgenodigd.” Ze bracht me naar de tuin. Het was een van die avonden waarop het niet afkoelde. Het was erg druk. Op een verhoging stond een man te schreeuwen. Er waren voornamelijk jonge mensen. Veel jonger dan Woolfson. Iedereen was ook erg hip. Ik hoefde hier niemand te vragen wat hij of zij deed. Iedereen was artiest. Dat was makkelijk. Behalve Woolfson, de voetdokter.

“Leuk dat je bent gekomen.” Hij had zijn hand op mijn schouder gelegd. Tussen al deze mensen deed Woolfson me aan een spin denken. “Vanavond is het dichtersavond”, zei Woolfson, “u treft het.” Samen luisterde we naar de schreeuwende man. Het gedicht was gericht tegen allerlei dingen. Tegen dieet-cola, tegen de New York Times en tegen Indische restaurants. Het gedicht was tegen bijna alles, behalve tegen de dichter zelf. “Wat vond u ervan”, vroeg ik Woolfson.

“Geen idee”, zei hij, “ik weet niets van poëzie. Een van de belangrijkste reden waarom ik zo gelukkig ben is dat ik me bijna uitsluitend heb beziggehouden met voeten.”

Ik liep achter hem aan naar binnen. “Maar u organiseert dit toch,” zei ik. Hij schonk me een gin-tonic in, zonder dat ik daarom gevraagd had. “Er zijn honderden manieren om de eenzaamheid te bestrijden”, zei Woolfson, “en u zult er nog wel achterkomen dat ze allemaal even slecht zijn. Maar nu zal ik u voorstellen aan deze jonge dame, we spreken elkaar nog.” Hij gaf me een knipoog.

De jonge dame was Leslie, de erotische dichteres van bijna tweehonderd pond. Samen luisterden we naar de gedichten. Er was een dikke negerin die dichtte dat ze uitstekend kon koken en dat haar heupen mooi waren. Een witharige homo die voorlas dat hij altijd condooms op zak had en toch gelukkig was. En een jonge vrouw met een zeemanspet die iets voordroeg waarin bijna uitsluitend mannenhanden voorkwamen. Toen was de erotische dichteres aan de beurt. Een van haar regels luidde: ik heb overgewicht/ maar een vriend vertelde me/ botten zijn voor de hond/ en vlees is voor de man.'' Eerst hadden al deze gedichten op pogingen geleken tot melodrama van het eigen leven, maar nu begreep ik wat ze werkelijk waren.

“Wat vond je ervan?” vroeg Leslie.

“Het was goed”, zei ik, “mensen hebben er jaren over gedaan om uit te vinden wat een gedicht is. Een gedicht is een vermomde contactadvertentie, en ik heb niets tegen contactadvertenties.”

“Ben je serieus?” vroeg ze. Ik knikte en kuste haar wang die aanvoelde als een mannenwang.

“Dat meen je niet.” Een volgende dichter betrad het podium. “Jawel,” zei ik, “allemaal wandelende contactadvertenties. Luister maar. Dan hoor je het zelf.”