De verleiding van het licht; Het Van Doesburghuis in Meudon: wonen in een architectonische droom

Eind jaren twintig bouwde Theo van Doesburg in Meudon-Val Fleury een huis. Alles hield hij in eigen hand, geen vorm, geen kleur zou aan zijn bewind ontsnappen. K. Schippers, die er voor een jaar woont, vraagt zich af of Van Doesburg met dit huis een eerbetoon aan de ruimte wilde brengen. “Niet eerder maakte ik die in al haar geledingen, van brutaal tot beschroomd, zo hartstochtelijk mee.”

Literatuur: A. Elzas: 'Theo van Doesburg 1883-1931' (De 8 en Opbouw, 17 augustus 1935); Evert van Straaten: 'Theo van Doesburg Schilder en architect' (SDU Uitgeverij 1988) en: 'Theo van Doesburg constructeur van het nieuwe leven' (Kröller-Müller Museum 1994).

Op een avond in het voorjaar van 1929 gaan twee Nederlandse mannen de kantine van de universiteit tegenover het Parc Montsouris te Parijs binnen. De oudste is vijfenveertig, de jongste twintig. Ze hebben nauwelijks geld en weten dat hier een goedkope maaltijd is te krijgen.

Het systeem is nog betrekkelijk nieuw. Ze pakken een bord, moeten in de rij gaan staan, kiezen voedsel, krijgen aan het eind van de toonbank een bon en gaan aan een tafeltje zitten. Pas als ze de kantine zullen verlaten moeten ze bij de uitgang afrekenen.

Terwijl ze zitten te eten vragen ze zich af of het niet nog goedkoper kan. Plotseling krijgt de oudste een idee. Als ze nu straks nog eens voor een kleinigheid in de rij gaan staan. Dan krijgen ze opnieuw een bon. Met die bon lopen ze naar de kassa, ze betalen, laten de ander bon niet zien en zo blijft de hoofdmaaltijd geheel buiten schot.

De nu zevenentachtigjarige architect A. Elzas vertelt mij lachend dit verhaal over hoe hij eens met Theo van Doesburg at. Hij is de jonge man die in '29 aan de Hogere Technische School in Haarlem studeerde en zijn praktisch leerjaar in Parijs wilde doen. De op 30 april '95 overleden schilder Otto B. de Kat woonde in de Franse hoofdstad en aan hem vroeg Elzas of hij niet een architect kende die hem als volontair kon gebruiken. De Kat zei dat hij het maar eens bij Van Doesburg moest proberen. Die kende bijna iedereen in Parijs.

“Als u wilt werken kunt u bij mij meteen als tekenaar beginnen want ik ga m'n eigen huis bouwen”, zei Van Doesburg.

Elzas wist niet wat hij hoorde. Hij was een bewonderaar van de voorman van de Stijl en hij kende zijn opvattingen. Als zestienjarige las hij in de openbare leeszaal van z'n geboorteplaats Alkmaar de artikelen over architectuur die Van Doesburg in het vakblad Het Bouwbedrijf publiceerde.

Theo en Nelly van Doesburg woonden dat jaar in een atelier van de Villa Corot aan de rue d'Arceuil, vlakbij het Parc Montsouris. 'Het was een merkwaardig zuiver houten vakwerk met baksteen en glasvulling,' zou Elzas augustus '35 in een herdenkingsartikel over Van Doesburg voor het blad De 8 en Opbouw schrijven.

Het was gemeubileerd door hem gehuurd. Er stonden barokkasten in en stoelen die een kruising leken van byzantijns en Queen Anne. Aan het plafond hing een geelkoperen luchter met vele armen. In niets voldeed het aan de eisen die Van Doesburg in zijn dagboek aan een werkruimte stelde: Uw atelier moet de koude atmosfeer hebben van de bergen op drieduizend meter hoogte: de eeuwige sneeuw moet er liggen.

Elzas logeerde in een hotel en begon meestal om een uur of zes 's morgens in het atelier op de eerste etage, één grote ruimte met een sous-pente en een keuken. Hij had de sleutel.

Hondjes

De schetsen voor het huis in Meudon-Val Fleury - het vierde ontwerp sinds 1927 - waren af. Als Elzas zich voor het maken van de bouwtekeningen over het tekenschot, de haak en de driehoek boog, werkte Van Doesburg in hetzelfde atelier met gekochte verf aan een schilderij, hij mengde niets zelf. Af en toe kwam hij kijken hoe Elzas met z'n werk vorderde, de hondjes Dada en Bouboule renden door de kamer. Het huis in Meudon was voor hem een architectonische droom, zeker nu de Aubette in Straatsburg waaraan hij met Sophie Taeuber en Jean Arp anderhalf jaar had gewerkt voor hem zo'n teleurstelling was geworden.

De zalen van het amusementspaleis stonden vast, aan die indeling had hij niets kunnen veranderen. Vooral de ciné-dancing had een en al beweging moeten worden, de kleur schiet langs de diagonaal. Zelfs daar was op verzoek van het publiek van alles veranderd. Dit nieuwe huis had hij in eigen hand, geen vorm, geen kleur zou aan zijn bewind ontsnappen.

Soms mocht Elzas niet komen. Dan moest Van Doesburg om het geld een artikel schrijven en kon hij niemand om zich heen velen. De volontair bleef vijf, zes maanden in de Villa Corot tekenen. Hij ging een keer met Van Doesburg mee naar Meudon toen die met een familie over de aankoop van het stuk grond moest onderhandelen.

Terug in Alkmaar bleef Elzas aan het huis doorwerken. De bouwtekeningen waren nog niet af. Als hij weer een ruimte had getekend verstuurde hij die per post. Het leek wel een mooi huis te worden, hij tekende maar door. Beneden aan de tuin een groot overdekt terras met daarachter de keuken, de dienstvertrekken en de garage. Boven het terras een groot atelier dat uitkomt op een gang. Daarnaast liggen, tegenover elkaar, de bibliotheek en de muziekkamer en even verder de slaapkamer en de badkamer. Het vijf meter hoge atelier op het noorden steekt hoog boven de leefruimte uit zodat op het lager gelegen dak een tweede terras is ontstaan.

De lijnen van de werktekeningen uit de Villa Corot komen nu tot leven, gaan voorbij aan alle foto's die ooit van de witte woning zijn gemaakt, krijgen hun derde dimensie en worden werkelijkheid in de ruimtes om mij heen.

Er wordt gebeld. Sinds september '94 woon ik voor een jaar in het huis en af en toe geef ik een bezoeker de gelegenheid Van Doesburgs laatste werk als architect te bekijken.

Dit keer laat ik twee Duitsers binnen, een architect en de vroegere directeur van een academie voor beeldende kunst. De laatste draagt vuurrode bretels. Die primaire kleur zou je in een huis van Van Doesburg zeker verwachten en toch zit die alleen op de voordeur. Binnen zijn twee tafels geel geschilderd. Verder gebruikte hij alleen zwart en grijs, alsof het kleurgeweld van de Aubette moest worden afgezworen.

Steunmuurtjes

Met de Duitsers krijg ik het over de muisgrijze tafel van beton in het atelier. Hij is een meter breed en drie meter lang, heeft geen poten maar twee haaks op elkaar gerichte steunmuurtjes en lijnt langs een korte wand. Net als de twee veel kleinere gele tafels van het huis is hij in de grond verankerd. Van Doesburg wilde dat die betonnen meubels op een vaste plaats deel uitmaakten van de architectuur.

“Het lijkt wel een altaar,” zegt de Duitser met de bretels. Daar zit iets in. Het licht dendert niet alleen door de hoge ramen op het noorden naar binnen. Aan de kant van het dakterras zitten smalle langwerpige vensters, vlak onder het plafond. Bij wisselende bewolking, zoals nu, ontstaat een cocktail van licht, uit het noorden en uit het zuiden, het bruist van de tintverschillen en vlak voor het altaar loopt Van Doesburg heen en weer. Hier wilde hij les geven aan zijn studenten en samenspannen met bentgenoten om met de Stijl die hij op het laatst Art Concret noemde de wereld te veroveren, 'n soort Bauhaus of Akademie voor nieuwe kunst.

Ik laat het bezoek zien dat twee halve deuren aan de gang kunnen draaien. Het atelier wordt afgesloten, de andere deur verspert de weg naar de twee verste kamers en nu zijn de bibliotheek en de muziekkamer één vertrek.

Van Doesburg gebruikt deze ruimte dubbel, als gang en als deel van een tweede atelier. De deuren worden teruggeklapt, de vloer hoort weer bij de gang en nu bereiken we de slaapkamer. Op het eerste gezicht is hij klein, ruim twee bij drie, maar als je hem gebruikt blijkt dat hij heel vindingrijk is ontworpen. Er zit geen deur in de muur en daardoor golft de ruimte vanuit de gang langs de ronde witte hoeken naar binnen. “Het lijkt wel speelgoed,” zegt de Duitse architect. Even later lopen ze dolgelukkig de buitentrap af die als je op de weg loopt door een hoge witte muur aan het gezicht is onttrokken.

Op 15 november '29 schrijft Theo van Doesburg vanuit de Villa Corot aan de architect C.R. de Boer, met wie hij acht jaar eerder in Drachten aan de kleurstelling van middenstandswoningen en de landbouwwinterschool had gewerkt, dat hij hard bezig is met de bouwerij in Meudon. Het geraamte in beton is op het tweede terras na klaar. Hij maakt in de brief een schetsje dat in alles lijkt op het huis zoals we het nu kennen.

Maar er komen allerlei moeilijkheden met het aannemersbedrijf Solomite dat platen van samengeperst stro met een wapening van staaldraad op het skelet van beton moet aanbrengen. Pas met Kerstmis '30, ruim anderhalf jaar nadat Elzas begon te tekenen, kunnen Nelly en Theo van Doesburg het huis betrekken. De vader van de acteur Jean-Paul Belmondo helpt hen verhuizen. Hij is beeldhouwer en heeft een atelier vlak naast de Nederlanders.

Heldere lucht

In mei van dat jaar waren ze van een Spaanse reis naar de Villa Corot teruggekeerd. Nelly schrijft in haar ongepubliceerde herinneringen dat Van Doesburg door al het reizen en werken van de laatste jaren was uitgeput. Hij leed aan astma en die werd dat voorjaar zo hevig dat ze niet eens naar Belle-Isle konden gaan. Dat eiland voor de kust van Bretagne was hen een paar jaar eerder om de heldere lucht aangeraden door de componist Arthur Honegger. Als I.K. Bonset schreef Van Doesburg daar de roman Het andere gezicht.

Begin december ging Nelly eerst alleen naar het nieuwe huis om alles zoveel mogelijk op orde te brengen. Van Doesburg, nog steeds zwaar ziek, logeerde zo lang bij Sophie Taeuber en Jean Arp. Hun villa lag even verderop, vlakbij het bos van Clamart. Toen het wat beter met hem ging werkte hij samen met Nelly verder aan het huis. Klaar was het nog lang niet. De schilders moesten de buitenkleuren nog aanbrengen. Het kleine balkon aan de zijkant voor de in- en uitvoer van doeken had de aannemer domweg niet uitgevoerd. De voor Van Doesburg door z'n ronde vorm nogal uitzonderlijke wenteltrap van het atelier naar de sous-pente was zonder zijn medeweten door een simpele rechte trap vervangen. Die ingrepen zouden nooit meer worden hersteld.

“Buiten lijkt het smal, maar als je binnen loopt is het ineens veel ruimer,” zegt een Engels meisje dat aan de academie voor beeldende kunst van Parijs studeert.

Het huis is dertien meter lang en acht meter breed. Groter kon het niet worden. De grond en de bouw werden gefinancierd met een kleine erfenis die Nelly na de dood van haar vader had gekregen. Van Doesburg woekerde met z'n kamers, maar hij viel de ruimte niet aan, alsof hij het een morele daad vond dat hij zich met haar bemoeide. Door dat dubbele gebruik van sommige vertrekken, onverwachte openingen, een spel van scherpe en ronde hoeken en een slimme verleiding van het licht wist hij de ruimte hoofs te eren.

“Nou waren die mensen zo vrij en waarom maakten ze de tafels dan aan de vloer vast?,” vraagt de fotograaf van monumentenzorg. “Aan een tafel die je niet kunt verplaatsen heb je niet veel.”

“Het is net een bunker,” zegt een Amsterdamse verslaggever. “En voor kinderen is het helemaal niets. Nergens diepe kasten of geheimzinnige hoeken.”

“Dat grondmotief van rechthoekjes in de bibliotheek, net de schaduw van een voorwerp dat niet aanwezig is,” zegt een avondstudente van een jaar of vijfenzestig. Ineens stond die groep van dertig bejaarden voor de deur en toen ze met z'n allen over de trap naar het dakterras liepen vreesde ik dat de sous-pente zou instorten.

Graubünden

Nelly van Doesburg schrijft dat Van Doesburg zich niet aan z'n ziekte overgaf. Samen met onder anderen Arp, Herbin, Delaunay, Kupka en Hélion stichtte hij nog zijn laatste groep: Abstraction-Création. In februari 1931 leek het zelfs of hij zo goed als genezen was. Een arts raadde voor zijn verdere herstel een verblijf in Zwitserland aan. Van Doesburg haatte de bergen, maar hij ging toch en zei lachend tegen Nelly dat hij nu bloemen op het graf van z'n voorouders kon leggen. Zijn moeder was in Graubünden geboren. Maar in Davos sloeg de astma opnieuw toe. Hij kreeg een hartaanval en stierf op 7 maart 1931 op de leeftijd van zevenenveertig jaar. Hij had niet langer dan drie maanden in Meudon kunnen wonen.

Had hij nog iets aan het witte huis willen veranderen? Volgens Elzas in dat stuk uit '35 waren de wanden 'in van toon variërende grijzen' geschilderd. Nu zijn ze voor het grootste deel wit, maar het kan dat de vroegere bouwkundig tekenaar de grijze vlakken op de muren langs de benedentrap voor ogen had.

In 1983 werd Elzas betrokken bij de restauratie, zodat hij niet alleen als tekenaar maar ook als architect aan het huis heeft gewerkt. Van Doesburg vroeg hem in '29 nog samen met hem aan nieuwe plannen te werken, zoals hij eerst met Cornelis van Eesteren een Stijl-duo vormde. Door zijn vroege dood is daar niets van gekomen.

Nelly noemt Van Doesburg een acteur, hij kon iedereen nadoen, stond hij daar ineens als Arp of Lissitzki of Mondriaan en dan waren al zijn gewichtige theorieën verdwenen. In z'n laatste huis laat hij het licht weergaloos optreden. Als ik opsta en langs die vloeiende hoek de gang in loop zie ik het in de verte door de hoge ramen naar binnen vallen. Het atelier wordt een toneel voor de wisselende sterkte van het licht. Elke dag komen steeds weer anders getinte bundels auditie doen om te verdwijnen als ze op andere plekken worden verwacht.

Over Van Doesburgs bedoelingen is door z'n vroegtijdige dood veel onzeker gebleven. Er zijn aanwijzingen dat hij zijn woning als een standaardhuis zag dat werkelijk in produktie moest worden genomen. Dat is verwonderlijk omdat het er eenmalig uitziet, als een ijl beeld dat niet kan worden herhaald. Had hij soms atelierwoningen voor ogen, zoals in de Amsterdamse Zomerdijkstraat? Dat moet haast wel, want de studio is nu eenmaal voor een schilder-architect ontworpen.

Ook over het kleurgebruik kan het laatste woord nooit worden gezegd. Er is een niet uitgevoerd ontwerp met kleur op een paar buitenmuren. De nu grijze tafel in het atelier moest misschien rood, blauw en geel worden. Maar volgens Nelly van Doesburg en Elzas was juist dat spaarzame gebruik van kleur de bedoeling van de architect.

Ik krijg het erover met een Perzische studente. De Aubette heeft ze met een gids bezocht en ze is goed op de hoogte van Van Doesburgs werk. Ze vermoedt, net als Evert van Straaten in zijn boek Theo van Doesburg constructeur van het nieuwe leven, dat het huis een reactie is op het door het publiek afgewezen kleurgeweld in het amusementspaleis. Zo voel ik het als bewoner, geholpen door een ook door Van Straaten geciteerde passage uit het dagboek van Van Doesburg die door Nelly in het postuum verschenen laatste nummer van De Stijl, januari 1932, is opgenomen.

Op 13 juni 1928 schrijft hij op zoek te zijn naar een 'Beeldingshuis'. Geen theater, concertzaal of woning maar een ruimte die vanaf een gaanderij is te zien. Bij de vestiaire krijgen de bezoekers een kleurloze mantel en 'zullen ze van vilten schoeisel voorzien worden zodat ook het hinderlijke stappen wegvalt'.

Heeft hij in de Villa Corot samen met Elzas tussen de bruine kasten en Queen Anne meubelen aan dat beeldingshuis gewerkt?

Le Corbusier

De studente en ik lopen naar het terras pal onder het atelier. Ik zeg haar dat Aldo van Eyck me in Nederland vertelde dat juist deze open ruimte van acht bij zes grote invloed op hem heeft gehad, bij voorbeeld bij de bouw van het burgerweeshuis. Die zag hij voor het eerst toen hij vanuit Zürich Nelly vlak na de oorlog opzocht. Het lijkt volgens Van Eyck een terras, maar het is een kamer waaraan de ruiten ontbreken. Het is een ruimte die zich zowel binnen als buiten bevindt, dat eeuwige verschil is opgeheven. Invloed van Le Corbusier? “Wat doet het ertoe”, zei Van Eyck, “wie niet openstaat voor invloeden zal nooit iets bouwen, hoe vaak heb ik als ik iets maakte niet aan Duiker of Sophie Taeuber gedacht”.

“Het zweeft”, zegt de Perzische studente als we in die open kamer zitten. “Het is of het huis boven je hoofd geen zwaarte meer heeft. Wat zijn de gebreken?”

“Bij een paar graden vorst heb je ijskoude poten. Die dringt door de betonnen vloer van het atelier. Etenslucht ruik je in het hele huis. Het ruisende water in de afvoerpijpen hoor je overal. En de hoge ramen krijg je nauwelijks schoon.”

Als ze weg is blijf ik in de buitenkamer zitten. Wilde Van Doesburg met dit huis een eerbetoon aan de ruimte brengen? Niet eerder maakte ik die in al haar geledingen, van brutaal tot beschroomd, zo hartstochtelijk mee. Ik denk aan m'n ontmoeting met Cornelis van Eesteren in het najaar van 1979. Met hem werkte Van Doesburg in 1923 aan zijn eerste volwaardige architectonische ontwerpen. Een paar jaar later werd Van Eesteren stedebouwkundige in Amsterdam en ik verweet hem dat hij, de ontwerper van de sombere buurt van m'n jeugd, de ideeën van de Stijl had verloochend. Ook bij de totstandkoming van de naoorlogse Amsterdamse randsteden Slotermeer, Geuzenveld, Slotervaart, Osdorp en Bijlmer had hij een grote rol gespeeld.

Hij antwoordde dat Van Doesburg de bouw, ook bij dat huis in Meudon, te veel vanuit de kunst benaderde. Als je daar vanuit ging zou er nooit iets van de grond komen. Van Eesteren moest vechten voor iedere vierkante meter zon en dan dacht je niet meer voortdurend aan de Stijl.

Dat was een gemakkelijk antwoord. Hoe zou Van Doesburg zelf aan de stedebouw hebben gewerkt? Samen met Tristan Tzara had hij in '24 ideeën voor een nooit op z'n verdiensten getoetste verkeersstad zonder straten die hij in '29 nog door Elzas liet tekenen, maar daar staat het huis in Meudon geheel los van.

Ruim negen maanden woon ik er nu. Het is een ruimtelijk gedicht dat niet voor een oplage in aanmerking komt. Van het huis is een heel andere in die tijd niet te voorspellen invloed uitgegaan en niet alleen op de architectuur. Die invloed zal in het volgende en ook laatste stuk over Theo en Nelly van Doesburg ter sprake komen.

    • K. Schippers