De Sixtijnse kapel van een verdwaalde zeeman; Oorlogsbodems, stadsmaquettes en monniken op de Biennale

Denemarken presenteert een honderdtal verdroogde vogellijkjes, bij Rusland fluit er permanent iemand op zijn vingers en daar tussendoor hobbelden op de opening van de Biennale van Venetië de corpulente hermafroditen Eva & Adele - in gouden jurkjes met zilveren vleugeltjes. Maar de bijzonderste presentatie is die van de Braziliaanse kunstenaar Arthur Bispo do Rosário, een straatvechter en portier die Duchamp navolgde zonder hem zelf ooit te kennen.

Vele jaren heeft hij doorgebracht in een inrichting voor geesteszieken. Een schizofrene zeeman die niet meer kon zeggen wat hij zeggen wilde. De verwarring nam de macht over toen de loods in zijn hoofd er vandoor was gegaan en zijn gedachten op de klippen liepen. Niemand begreep hem meer, en toch moest er orde komen in al datgene wat voorbij was, en daarom heeft hij op een dag een draad uit zijn blauwe gestichtsuniform getrokken en met die dunne blauwe draad is hij letter voor letter aan zijn verhaal begonnen. Hij stak een borduurnaald in zijn beddelaken, ging er mee door op een volgend laken, ontrafelde zijn tweede blauwe uniform en nam daarna nog eens een laken, tot het moment kwam waarop hij een ander verhaal moest vertellen, zonder draad en borduurnaald, maar met kant-en-klare dingen, zoals stenen, schoenen en een fietswiel. Hij kon niet weten dat Marcel Duchamp hem was voorgegaan.

Daar hangen ze dan, achter elkaar, de lakens van Arthur Bispo do Rosário, in het paviljoen van Brazilië op de Biennale van Venetië. Een ongelukkig paviljoen, dat ongewenst als passage wordt gebruikt naar belangrijkere paviljoens, zoals dat van Amerika en Duitsland. Een ieder haast zich er doorheen, op zoek naar nieuws, geruchten, spektakel, lawaai, naar meer kunst, westerse kunst natuurlijk en in die Biennale-klopjacht doet Brazilië nauwelijks mee.

Arthur Bispo do Rosário is geboren in 1911, ontdekt in 1982 en gestorven in 1989. Behalve zeeman, was hij straatvechter, portier, bodyguard en bokser. Eenmaal 'ziek' liep hij vaak met gebogen rug rond in een poncho-achtige cape vol borduursels, zakjes en satijnen koorden. De glanzende gordijnkwasten op zijn schouders diende men te zien als epauletten, dezelfde onderscheidingstekens die zijn baas vroeger aan boord droeg. Niets meer, niets minder.

In de voering van zijn cape had hij alle namen geborduurd van zijn vrienden uit het gesticht. Dat waren er velen. Hij droeg ze dus letterlijk op zijn lijf en op zijn hart. Voor elk van hen zou hij in diezelfde poncho, eenmaal gezeten aan Gods voeten, een goed woordje doen. Dat was beloofd, want het moest in de hemel net zo gezellig blijven.

Negenhonderd kunstwerken heeft hij achtergelaten, vertelt de Braziliaanse kunsthistoricus en conservator Nelson Aguilar. Hij schreef voor zijn vaderlandse paviljoen de catalogus. “Nee, tijdens zijn leven stelde Bispo niets tentoon. Wat hij maakte was zijn huid en die exposeer je niet, die wil je om je heen hebben. Zo werd zijn kamer zijn eigen Sixtijnse Kapel.”

Nu hangt hier in Venetië de poncho van Bispo. Dankzij de spiegel op de vloer kan je de vriendenamen lezen. Op de buitenkant is steek voor steek geborduurd wat de zeeman ooit omringde: Fietsen, cijfers, pingpongtafels, een biljart, serviesgoed, een ladder, een stieregevecht, ijzeren smeedwerk, een televisietoestel, spoorrailsen, veger-en-blik, vliegtuigen, basketbalnetten en zoveel meer. Heel precies en gaaf afgemerkt, als voor een kinderencyclopedie, desnoods in perspectief, hoe klein de voorwerpen ook zijn.

De jas is zorgelozer dan de blauw-witte lakens, want die staan vol met oorlogsbodems, marine-barakken, verbindingslijnen, helikopters en een enkele vuurrode kerk. De vele tekens in de marge zijn misschien wel zelf ontworpen verkeersborden, of hiëroglyfen die zich elders, in een ander sterrestelsel, laten lezen. Met zijn borduurnaald noteerde Bispo keurig in smalle kolommen ook nog alle havens in de dorpen en de wereldsteden die zijn schip aandeed en de namen van alle zeebonken die zijn onvergetelijke maten werden. Soms hield hij een dagboekje bij, waarin het aangename bezoek, een busstation en de heilige Maria elkaar in een enkele regel ontmoeten.

Straatstenen

Denk nu niet dat hier een ratjetoe van calvinistische merklappen hangt. Nee, verre van dat; mooie, soms cartografisch aandoende composities met beeldstrips in het midden, en letters aan de zijkant, of teksten die zich als een zeis om een figuur heen buigen. Het dwangmatig vullen van de leegte, waar een vergelijkbaar kunstenaar als de Zwitser Adolf Wölfli last van had, was redelijk onder controle.

Bispo heeft nooit een voet gezet in een museum of een galerie, maar toch werd hij in het gesticht als kunstenaar op handen gedragen. Mede-patiënten stonden hem hun blauwe gympies af en die heeft hij toen maar naast en onder elkaar op een brede plank bevestigd, als een reliëf. De veters bundelde hij tot een bos en die hing hij dan in het midden van de gympies; alweer van die epauletten, want hij bepaalde zelf wel welke rang hij waard was.

Lege frisdrankflessen gevuld met confetti konden eenmaal op een rek geplaatst best doorgaan voor een kunstwerk, vond Bispo, want zo lijken ze van binnen beschilderd, en nu de zee zich zo ver van hem had verwijderd, werd het ook hoog tijd om een eigen vloot te maken; vijftien gekleurde en beschreven zeilen deinen in de tocht van het paviljoen op een kist met wielen.

Aan de verpleegsters in het gesticht gaf hij zijn zakgeld mee, zodat ze 'buiten' in de winkel poppen en spiegels voor hem konden kopen, en ander speelgoed en plastic sieraden en god mag weten wat. Alles paste wonderbaarlijk genoeg bij elkaar in manshoge ondiepe, open kastjes en ook die staan hier nu opgesteld, vlakbij een stevige houten speelgoedwagon, gevuld met straatstenen. Want straten kan je verhuizen, als je dat zelf maar wilt. En als je vrienden je geborduurde lakens waarderen, je gerangschikte gympies en flessen, dan zal het met die straatstenen ook wel lukken. Zoiets moet Bispo gedacht hebben.

Bispo had gelijk, want een conservator van het Metropolitan Museum in New York raakte vorige week in Venetië in vervoering van zijn werk. Dat enthousiasme van zo'n hooggeplaatste heer zal die Braziliaanse kunsthistoricus Nestor Aguilar goed doen, dacht ik even. “Ach, ja”, grijnst hij, “in dat museum zijn ze dol op verzamelen, hè, het kan niet op!” Aguilar maakt klauwen van zijn handen, trekt een gemeen gezicht en graait traag in de lege ruimte om hem heen, als een hongerige kreeft. Voorlopig blijft het werk van Bispo waar het nu is, dat mag duidelijk zijn.

Karkas

Niet hier, tussen deze ontroerende nalatenschap in dit onopvallende paviljoen, maar buiten op het tentoonstellingsterrein, in de kloostertuinen, in de palazzi en op het water heerste de ware gekte. Een wit gordijn probeert dag-in-dag-uit boven het Canal Grande te vliegeren, een sculptuur van baleinen buigt in de verte als een gigantisch karkas zachtjes met de wind mee, alsof dit uitzicht kunst behoeft, en in augustus zullen hier op het water ook nog duizend paraplu's komen drijven. Langs de oever dobbert een sloep, volgestouwd met vrolijke zijden kussentjes waartussen niemand zich in de voorjaarszon kan neervleien, en iets verder op de kade reikt een stenen hand radeloos naar de hemel, de middenvinger is zo hoog als vlaggemast.

Op de grindpaden van het Biennale-terrein flaneren twee corpulente engelen op hun te krappe pumps, het kaalgeschoren Berlijnse hermafrodieten-stel Eva & Adele. Dit keer hebben ze zich in een strak, gouden jurkje met geplooide zilveren vleugels gehesen. Aandacht, meer aandacht, astublieft - je ziet het ze smeken. De twintig piepjonge, kale monnikjes uit Korea, opgetrommeld om te assisteren bij de muzikale opening van hun paviljoen, giechelen zich slap. Of ze asjeblieft met die engelen op de foto mogen en of de fotografen even willen wachten tot hun beeldschone, zachtgrijze gewaden gefatsoeneerd zijn. Straks, terug in dat boeddhistische klooster, zullen de achterblijvers hun ogen niet geloven: Dat witte westerlingen ook zo kaal, maar vooral zo foeilelijk kunnen zijn! Liever gereïncarneerd in een marmot dan eeuwig wonen in hun engelenhemel!

Honderden keren per dag klinkt vanuit het Russisch paviljoen hetzelfde liedje. Een veel te opgewekt fluitconcertje op een paar vingers, uitgevoerd door een parmantige Russische jongen, van wie vele jaren geleden een stuntelige filmopname is gemaakt. Die continue stroom van vals optimisme is binnen het paviljoen toepasselijk geïllustreerd met historische filmfragmenten. Ze vertellen wat er zoal in de loop van vele jaren op één enkele Russische locatie, een smerige bouwput ter grootte van een vulkaankrater, is afgebroken en opgericht, en weer is afgebroken en opgericht: van kathedraal naar zwembad, van zwembad naar wolkenkrabber, van wolkenkrabber naar kerk, van kerk naar kathedraal. Ook als het niet waar is, maakt het filmpje de puinhopen en de waanzin akelig aannemelijk.

Spookhuis

Denemarken moet een strandjutter en een boswachter, beiden behept met een ziekelijke verzameldrift, in zijn paviljoen hebben losgelaten. Nu hangen er een paar honderd verdroogde vogellijkjes tegen de wand en in een vijftal manshoge, overvolle vitrines liggen beestenschedeltjes, vogelnesten, brokken piepschuim, trossen zeewier, touw, damesslips, sardineblikken, badmintonshuttles en fazantenveren. De noorderburen van Denemarken exposeren nog wat fotografische close-ups van een lieve zeehond, voor het geval de Biennale-bezoeker deze diersoort nog nooit in ogenschouw heeft genomen en Seoul liet een dansgezelschap overvliegen van altijd glimlachende meisjes die loeihard op hun trommels beuken, terwijl op hun hoofden roze, groene en gele dotten als fluorescerende sponsen driftig meehobbelen.

In het paviljoen van Hongarije heerst rust. György Jovánovics, de meest vooraanstaande beeldhouwer van het land, heeft weer een andere obsessie. Hij werkt zijn leven lang al in gips. Het begon met statige mensfiguren, later moesten er spierwitte gordijnen worden afgegoten en de laatste jaren is er geen ronding meer te bekennen. Alleen plankjes en bladen papier, tezamen gecomponeerd als constructivistische schilderijen, krijgen nog een gipsbad en eenmaal gestold lijken ze dan ineens op breekbare stadsmaquettes. Een heidens karwei, even een stootje, en alles is vergeefs geweest.

De mooiste foto van die eerste Biennale-dagen had verderop gemaakt kunnen worden, in het Japanse paviljoen. Maar die foto bestaat niet en zal ook nooit meer komen. Het is er boven aardedonker, er ligt een plankier tussen twee waterbassins. Langs weerskanten razen watervallen in diepe stilte de geveinsde afgrond in, of het moeten gestolde lawines zijn die zich in deze meren des doods weerspiegelen. In dit spookhuis, op het plankier tussen de kartonnen Himalaya-toppen, hadden de meisjes uit Seoul moeten wandelen, zodat hun hoeden van lichtgevende sponzen als een bed van wellustige dahlia's tussen de sneeuw had kunnen zweven. Nu draaien de meisjes elders op de wereld hun rondjes met hun trommels.

De Braziliaan Bispo was hier op deze eerste Biennale-dagen maar al te graag aangemeerd. Misschien had hij eenmaal thuis zijn Sixtijnse Kapel met sponzen gestoffeerd. Zag ik hem trouwens niet even boven het San Marco-plein voorbij zeilen in zijn veilige poncho, toen die twee bejaarde Japanse dames in de laatste zonnestralen van die dag een walsje draaiden op de klanken van 'When the saints go marching in'? Ik weet het bijna zeker.