De schuldige Pool

Skrien nr. 202, juni/juli '95 Prijs: ƒ 12,95

De herdenkingsfilms die in het juni/juli nummer van Skrien aanleiding geven tot beschouwingen en een interview (met Kees Hin) zijn alle in mei al te zien geweest op de Nederlandse televisie. Het is een journalistieke vraag of de redactie niet met mosterd na de maaltijd komt, maar ik moet bekennen, dat de stukken, juist omdat de films al te zien zijn geweest, wel prettig lezen.

Onprettig is het inzicht dat het gesprek met Hin verschaft. In zijn film Auschwitz-Birkenau 1945-1995 snijdt hij 'oude' en 'nieuwe' beelden aan elkaar, bij voorbeeld dat van een berg overgebleven oude schoenen aan dat van een Pool die vandaag zijn schoen aantrekt. Toen ik de film zag, stoorde die associatieve benadering me niet, ik hield haar voor poëzie. Nu de Skrien-redactie dit voorbeeld aanhaalt en er de vraag aan verbindt of Hin de Pool 'schuldig' heeft verklaard, ben ik geneigd het eens te zijn met degenen die me destijds al zeiden het gelegde verband niet in de haak te vinden. Hins antwoord is althans draaikonterig: “We zijn allemaal even schuldig, niet de Polen alleen” - en zijn toevoeging dat de bewuste Pool 'overigens' zelf vijf jaar in het kamp gezeten, maakt het zelfs pijnlijk.

Naar aanleiding van het eeuwfeest van de cinema vroeg Skrien een aantal jonge filmregisseurs om een bijdrage over hun favoriete film uit het door het Nederlandse Filmmuseum samengestelde programma Les films du Paradis. Het gaat om 52 'klassiekers', die vanaf september in even zoveel theaters te zien zullen zijn. Sommige van de regisseurs blijken niet alleen te kunnen filmen: vooral de verhaaltjes van Dick Tuinder (over Ingmar Bergman), van Paula van der Oest (over Visconti's Ludwig) en van Wendela Scheltema (over Kubricks 2001: a Space Odyssey) zijn ontroerend en leerzaam.

Behalve recensies en de voor een vakblad onvermijdelijke 'zakelijke' reportages over filmfondsen en een stuk over het 'mastershot', bevat dit nummer een aardig artikel over het onthaal dat Europese films in Amerika plachten te krijgen, louter om de vrijmoedige seksscènes. Verder een rondetafel-gesprek met dagbladcritici, waarin de redactie van Skrien een dialoog tussen hen en filmmakers bepleit. Maar die dialoog heeft al plaats: op het filmdoek en in de krant. Zo liggen de verhoudingen en voor het overige is juist afstand het devies.