De lange weg naar het rijm; Waarom wordt er over de Nederlandse poëzie niet meer gepolemiseerd?

In de hedendaagse Nederlandse poëzie is nauwelijks nog sprake van polemiek. Dichters hebben de richtingenstrijd afgezworen. Huub Beurskens, winnaar van de VSB-poëzieprijs, is daarvan een mooi voorbeeld. Hij heeft een lange weg afgelegd van hermetisch experiment naar volop rijmende poëzie, zonder de indruk te wekken dat hij nu zijn vorm gevonden heeft.

Rembrandt die zijn zoon Titus schildert: het blijft een mooi en ontroerend onderwerp. Veel dichters hebben zich erdoor laten inspireren: door de portretten zelf, door de liefde van de vader die eruit spreekt en door de tragiek die erachter schuilgaat. Waarom schilderde Rembrandt Titus? Dat vraagt ook de dichter van het volgende gedicht zich af. Zijn antwoord is verrassend. Volgens hem ging het Rembrandt niet om het schilderen zelf en ook wilde hij zijn zoon niet voor de eeuwigheid bewaren. Hij werd eerder gedreven door eigenbelang: hij wilde zich zo verzetten tegen zijn eigen sterfelijkheid. En wat vond Titus ervan om zo door zijn vader gebruikt te worden? Dat valt in het tweede deel van het gedicht te lezen:

Waarom schilderde Rembrandt Titus?

gaf hij hem extra duurzaamheid

met die alledaagse attributen

uit de keukenkast:

latjes, linnen, olieverf en kwast?Zijn motief was niet zo alledaags en

verborgen in de diepste genen van

alle vaders uit elke tijd:

een zoon tegen de sterfelijkheid.En de zoon denkt, kijkend

naar de sterren: ben ik

alleen gekomen als vervulling

van mijn vaders dromen?In het duister van de nacht

heeft Titus van Rijn het

vaak genoeg vervloekt om

Rembrandts zoon te zijn.

De zoon beseft dat hij alleen maar een figurant is in de wensdromen van zijn vader. Over dat droevige besef gaat het hier. Het wordt losjes geformuleerd, op spreektoon, in een stemmig, maar verder ook weer niet zo heel bijzonder gedicht.

Wat dit gedicht wel bijzonder maakt is dat ongeveer anderhalf miljoen Nederlanders het zouden kunnen kennen. Want zoveel zaten er voor de buis toen het, op dinsdag 21 maart 1995, rond een uur of tien, op Nederland 2 werd voorgedragen. Al even bijzonder: waarschijnlijk herinnert niemand van die anderhalf miljoen kijkers zich het nog. Misschien wel als ik de titel erbij geef. Het vers heette niet 'Rembrandt en Titus' of 'Kijkend naar de sterren' of 'Een zoon tegen de sterfelijkheid', maar 'Jordi Cruijff, vergelijkenderwijs'. Want eigenlijk ging het gedicht niet over Rembrandt en Titus, maar vergelijkenderwijs over een andere beroemde vader en zoon: Johan en Jordi Cruijff.

De dichter was Henk Spaan. Hij las het zelf voor in het satirische sportprogramma Die 2: Nieuwe Koeien. Dat programma drijft voornamelijk op het vriendschappelijke gebekvecht tussen de beide presentatoren Spaan en Vermeegen. Verder is het uit op relativering, ironie en humor. Maar niet bij het wekelijkse gedicht. Dan houdt Vermeegen zijn mond. Spaan doet zijn best. En de voetballer over wie het gaat kijkt gedwee in de camera. Na het laatste woord van de dichter gaat het programma weer verder alsof er niets gebeurd is, met 'De fax voor Max', 'De knuffelkoe' of, nog leuker, 'Koken met Harry'.

Studioprieeltje

Zeldzaam verschijnsel: één minuut poëzie, uitgezonden op prime time, gadegeslagen door een miljoen of meer kijkers. En nooit heeft iemand het erover. Het aantal kijkers en de zwijgzaamheid staan in schril contrast met de weinige lezers en het vele gepraat in het circuit van de echte poëzie. Van de vorig jaar verschenen bundel Nevels orgel van Lucas Hüsgen werden door de 1200 openbare leeszalen in totaal twee exemplaren besteld, en het kwam nog in de krant ook - in een bijdrage aan de discussie over het poëzie-aanschafbeleid van de openbare bibliotheken.

Het was een amusante discussie, want de boosheid van uitgevers en dichters had zich natuurlijk op de leners moeten richten, en niet op de bibliotheken, maar dat neemt niet weg dat de cijfers schrijnend zijn. Met de kwaliteit van Hüsgens 'sproke' kan het niet veel te maken hebben. Van De ingeland van Tonnus Oosterhoff, vorig jaar bekroond met de Herman Gorterprijs, werden elf exemplaren gekocht. En van Muziek voor de overtocht van Stefan Hertmans, genomineerd voor de VSB-poëzieprijs, maar liefst 13 exemplaren. Vergelijk daar de anderhalf miljoen van Spaan eens mee. Of de miljoenen kijkers naar All you need is love, een programma waarin ook al zo'n mooie rol voor poëzie is weggelegd.

In het onderdeel 'Het gedicht' kan iemand zich laten verleiden tot een 'date' met degene die voor hem of haar het mooiste liefdesgedicht heeft geschreven. Het zal volgens de critici allemaal wel niet deugen, dat kwezelige gedoe in het studioprieeltje en zo, maar het is wel ontroerend en oprecht. En het kan, met het oog op de verkoop van poëzie, vast geen kwaad als miljoenen kijkers horen en zien dat er met een gedicht ook iets te veroveren valt. Er wordt in ieder geval niet lacherig over gedaan - niet door de kandidaten, niet door de dichters, niet door de mensen in de zaal en al helemaal niet door presentator Robert ten Brink.

Er is bij het grote publiek wel degelijk aandacht voor poëzie, misschien kun je zelfs wel spreken van een behoefte, en er is zeker een leemte, die gemakkelijker gevuld kan worden dan vaak gedacht wordt. In de film Four weddings and a funeral werd bij een begrafenis een gedicht van W.H. Auden voorgedragen. Indrukwekkende scène, overrompelende voordracht, ontroerend liefdes- en in memoriam-gedicht. Tienduizenden zagen het. In Engeland belandde de poëzie van Auden dankzij de film op de bestsellerlijsten. In Nederland werden honderden exemplaren verkocht van de bundel waarin deze 'Funeral Blues' was opgenomen.

Zulke ontmoetingen tussen massamedia als film en tv en het minimedium van de poëzie zijn zeldzaam, jammer genoeg. Aan de kwaliteit van de hedendaagse Nederlandse poëzie kan het niet liggen, zou je zeggen. Die is zo goed en zo divers dat de deskundigen het er maar niet over eens kunnen worden. Volgens de jury van de Herman Gorterprijs schreef K. Michel vorig jaar met Boem de nacht de beste bundel. Voor de Gouden Uil was Arie van den Berg met Blijmoedig aan het graf te denken de enige genomineerde dichter. Volgens de verzamelde critici (in de tophonderd van Mekka) waren de beste zes bundels vorig jaar van Lucebert, Luuk Gruwez, J. Bernlef, Arie van den Berg, Benno Barnard en Arjen Duinker - in deze volgorde. Maar geen van deze namen was terug te vinden in het lijstje nominaties voor de VSB-poëzieprijs: Huub Beurskens, Herman de Coninck, Charles Ducal, Eva Gerlach, Stefan Hertmans, Hester Knibbe en Leonard Nolens. Maar als Jan Kuijper, Jacques Hamelink, Hans Vlek, Anneke Brassinga, Frank Koenegracht, Hans Tentije en Anton Ent waren genomineerd had ook niemand vreemd opgekeken.

Posttraditioneel

Er zijn op grond van deze gegevens veel verschillende conclusies mogelijk, variërend van 'De deskundigen weten het zelf niet eens' tot 'Wat een kennelijke kwaliteit en wat een kennelijke variatie', en die twee hoeven elkaar niet eens uit te sluiten. Het gevaar van nietszeggende generalisaties is groot, maar ik denk nog steeds dat met deze variatie de stand van zaken in de hedendaagse Nederlandse poëzie het best gekarakteriseerd is. Deze afwezigheid van polemiek lijkt mij historisch heel goed te verklaren en in een behoefte te voorzien: een postmodernistische behoefte aan vrijheid, dan wel een posttraditionele behoefte aan terreinverkenning.

Honderd jaar lang is de Nederlandse poëzie door felle discussies gekenmerkt geweest: 1880 (Tachtigers), 1930 (Forum), 1950 (Vijftigers), 1980 (Komrij). Bij alle verschil ging het toch steeds om de verhouding tussen oud en nieuw, traditie en experiment, inhoud en vorm, poëzie als mededeling en de autonomie van het gedicht. Een golfbeweging tussen l'art pour l'art (1880) en persoonlijkheid (1930), tussen modernisme (1950) en traditie (1980). Daarna hebben de Maximalen nog één keer geprobeerd de bakens te verzetten, maar zonder resultaat. Het lijkt er eerder op dat beide richtingen naar elkaar toe gegroeid zijn - niet in de vorm van een grijs compromis, maar door gebruik te maken van elkaars verworvenheden. En mocht dat niet voor alle dichters gelden, dan toch zeker wel voor de groten.

Het werk van dichters als Kouwenaar, Nolens, Komrij, Lucebert, Kuijper, Faverey is zo 'moeilijk' en zo 'verontrustend' omdat het zich niet op een van de twee geijkte manieren laat benaderen. Het maakt een persoonlijke, harmonieuze indruk (Komrij, Nolens, Kuijper), maar vervolgens zien we de persoonlijkheid voor onze neus verdwijnen. Of omgekeerd: het maakt de indruk van een talig arrangement (Kouwenaar, Faverey, Lucebert), maar daarin dringt zich dan toch een menselijke stem op. Voor dichters als Vroman en Herzberg geldt op een heel andere manier hetzelfde: zij verkondigen een boodschap en vaak zelfs een moraal, maar zij doen dat in zulke grillige en wezenlijk experimentele vormen dat de aandacht van de mededeling weggezogen wordt.

Daar, in dat intrigerende gebied waar vorm mededeling wordt en de boodschap zich in taal verliest, bevindt zich ook de poëzie van Huub Beurskens, een van de interessantste dichters van de laatste jaren. Hij won met Aangod en de afmens de VSB-poëzieprijs 1995. Hij is een mooi voorbeeld van een dichter die een lange weg heeft afgelegd van hermetisch experiment naar volop rijmende poëzie, van ingeklonken metaforiek naar bloeiende taalmuziek, van stilstand naar beweeglijkheid, zonder de indruk te wekken dat hij nu zijn vorm gevonden heeft. Zijn poëzie zou door kunnen schieten naar volledig impressionisme, maar evengoed naar heldere epiek. En ook inhoudelijk kan hij nog alle kanten op. In zijn gedichten wemelt het van de toespelingen op de modernste wetenschappelijke inzichten, maar overal ligt ook een religieus besef op de loer. Vroman is een naam die zich opdringt, maar ook die van Gezelle: de eenzame voorloper van de vernieuwingen rond 1880, de eerste moderne dichter. Een beter 'bewijs' voor de gedachte dat de nieuwe generatie dichters de richtingenstrijd van de laatste honderd jaar geïncorporeerd heeft, is er niet.