Bernard Dewulf: Je moet het pathos kunnen bedwingen

Bernard Dewulf: Waar de egel gaat. Uitg. Atlas. 49 blz. Prijs ƒ 25,-.

De Vlaamse dichter Bernard Dewulf (35) van wie vorige maand de bundel Waar de egel gaat verscheen, heeft naar hij zegt vijftien jaar de naam gehad van 'een belofte'. In 1988 trad hij temidden van gerenommeerde dichters op tijdens de Nacht van de Poëzie, en vorig jaar was hij te gast op Poetry International, maar zijn eerste bundel liet almaar op zich wachten. Zijn reputatie, zegt hij, dankte hij onder meer aan het feit dat hij in 1987, samen met Charles Ducal, Dirk van Bastelaere en Eric Spinoy werd gebundeld in de bloemlezing Twist met ons van de criticus Hugo Brems. Het was een bundel die velen ('ten onrechte, er is naar mijn gevoel nauwelijks verwantschap') als een portret van een nieuwe generatie hebben gezien. Maar terwijl de andere drie dichters kort daarna in België doorbraken, bleef Dewulf maar aan zijn eerste bundel 'prutsen'. “Uitgeverij Atlas heeft jaren aan mijn slippen gehangen.”

Dewulf, in het dagelijks leven coördinator van de Culturele Bijlage van het Vlaanse dagblad De Morgen, zegt veel tijd nodig te hebben om concrete ervaringen in poëzie om te zetten. Hij moet afstand kunnen nemen. De eerste cyclus uit de bundel, getiteld 'Breister', begon hij tien jaar geleden toen hij als gewetensbezwaarde vervangende burgerdienst deed in een bejaardentehuis. In een 'explosie', zo zegt hij, maakte hij toen de eerste versie van een aantal portretten. Maar naar zijn gevoel moest het een portrettengalerij worden waarin 'alle facetten van het bejaard zijn' aan bod kwamen: de verwarring wat de taal betreft, de ervaring van tijd en ruimte, de sentimenten van bejaarden en wat er met hun geheugen gebeurt. “Dat moest er allemaal in.”

Dewulf wordt gefascineerd door het verschijnsel dementie. Hij vindt dat dit verschijnsel te vaak wordt gezien als iets dat ons plotseling overkomt. “Er gaat altijd een proces aan vooraf. Je zou eens moeten vergelijken hoe een kind een taal ontwikkelt en hoe bejaarden die taal later, omgekeerd, letterlijk ont-wikkelen.”

Dewulf is een bescheiden dichter en dat weet hij. Zijn gedichten beginnen vaak heel voorzichtig, met een persoonlijk voornaamwoord dat een eenvoudige zin inluidt: ,Zij komt in de kamer, zij weet wie zij is', of 'Ik zeg haar dat het mooi is zo', of 'Zij laat mij tederheden kennen in haar boze oog'. “Ik heb de grootste bewondering voor dichters die met veel pathos schrijven, met grote adem zoals Ouwens en Nolens. Dat zal ook wel de poëzie zijn die op den duur overblijft. Maar zoiets moet je niet alleen durven, maar ook kunnen. Ik kan het niet - of nog niet. Je moet een heel groot talent hebben om zo'n pathos te kunnen bedwingen, en zo een ingehouden gedrevenheid te suggereren. Als je niet over heel veel techniek beschikt, krijg je al gauw een woordenbrei. Ik hoop dat ik het ooit zal kunnen. Ik wil het in de toekomst in ieder geval wel gaan proberen.”