W.F. Hermans

Het moet halverwege mijn verblijf in Zwitserland zijn geweest. Ik had Iris aan de telefoon en toen ik vroeg of er nog iets bijzonders was gebeurd, zei ze: Hermans is dood.

Meestal laat het heengaan van publieke figuren mij betrekkelijk onverschillig en het idee dat schrijvers onsterfelijk zijn heb ik allang laten varen. Wie schrijft, die blijft evenmin.

Maar ik vind het wel belangrijk om te weten dat Hermans dood is. Je moet er niet aan denken dat je over een jaar of twee plompverloren aan iemand vraagt hoe het toch komt dat je nooit meer iets van Hermans merkt.

Het probleem is dat ik wel heb gehoord dat Hermans dood is, maar niet heb gelezen dat Hermans dood is. In Zwitserland was het geen nieuws en toen ik terugkwam in Nederland waren de kranten al gevorderd tot Annie M.G. Schmidt. Ik weet geen woorden, ik zie geen zinnen bij de dood van Hermans. Daarom bang om te vergeten.

Goed, nu ga ik van huis voor een tochtje door de polder. Bij Boschlust loopt een koppel kalveren in de wei, rooie blaarkoppen van Maarten van de Geer. Eén van de dieren staat roerloos naar een blauwe reiger te kijken, die op zijn beurt roerloos aan de slootkant staat.

Net als ik een belangrijke gedachte over het kijken van kalveren wil formuleren, schiet het door me heen: wat was er ook weer? Hermans is dood!