Toppers van toen

Topstukken tentoon. Hoogtepunten uit het Nederlands natuurhistorisch bezit. Natuurmuseum Rotterdam. Westzeedijk 345 (naast Kunsthal). 10 juni - 5 november. di-za 10-17. zo 11-17.

Het schoolvak 'Natuurlijke historie' met als afkorting 'natte his' is zo zoetjesaan uit het vocabulair verdwenen. Kennis van planten en dieren heet voortaan biologie en zoals iedere scholier al vroeg weet is biologie niet erg belangrijk - het is geen verplicht vak en om het te studeren heb je het niet eens nodig in je pakket.

Terwijl vroeger vooral oud-NJNers biologie studeerden, zijn het tegenwoordig vooral uitgelote medicijnenstudenten. De faculteiten drijven op de 'medische richting' die praktisch is en veel chemie bevat.

De 'echte' biologiestudenten, de soortenkenners, zijn tegenwoordig met een lampje te zoeken. De conservatoren van de twee grote zoölogische musea in Nederland, het Zoölogisch Museum van Amsterdam en het Nationaal Natuurhistorisch Museum in Leiden, beklagen zich erover dat ze geen opvolgers krijgen - er zijn haast geen studenten meer en als ze er zijn, wordt er geen geld beschikbaar gesteld. Over enkele jaren moet het Zoölogisch Museum in Amsterdam waarschijnlijk zijn deuren sluiten - de eerste voorstellen in die richting zijn al gedaan. Soortgelijke geluiden zijn te vernemen voor het Rijksherbarium in Leiden.

Dat dit volledig in strijd is met het verdrag van Rio ter behoud van biodiversiteit, zal de minister van onderwijs worst wezen. Gidsland Nederland heeft zich weliswaar verplicht de kennis te leveren die nodig is om de biodiversiteit in stand te houden, maar in de dagelijkse onderwijspolitiek tellen dergelijke verdragen niet mee. Als er al geld naar onderzoek gaat, is het bestemd voor flashy richtingen als biochemie en lasers.

De teloorgang van de biosystematische kennis is des te droeviger, omdat tegelijkertijd ook de plante- en diersoorten verdwijnen met een snelheid die ongeëvenaard is in de geschiedenis. In de Derde wereld, waar systematische soortenkennis nog steeds een belangrijk praktisch nut te vervullen heeft, zal het nog jaren duren voordat voldoende deskundigheid is opgebouwd. Zo ontstaat een gat tussen de opheffing van de systematiek in het Westen en de behoefte eraan in de tropen.

Cynisme en somberheid zijn dan ook al jaren troef onder taxonomen. Daarom was het vorige week des te verrassender dat er iets te vieren viel. Het Natuurmuseum Rotterdam, dat jaren een kwijnend bestaan had geleid, werd na een ingrijpende verbouwing gedeeltelijk heropend en had een fraaie tentoonstelling ingericht in zijn nieuwe vleugel. De oude vleugel blijft voorlopig dicht.

Dat de gemeente Rotterdam het nodig vindt een natuurhistorisch museum te bezitten en zelfs uit te breiden, zal zijn oorzaak vinden in de museummanie waaraan de stad sinds enkele jaren ten prooi gevallen is. In het museumpark bevinden zich nu Boymans-van Beuningen, het nieuwe Architectuurmuseum, de nieuwe Kunsthal, het nieuwe Chabotmuseum en het vernieuwde Natuurmuseum, terwijl vlakbij ook het Museum voor Land- en Volkenkunde en het betrekkelijke nieuwe Maritiem Museum te vinden is. Het Natuurmuseum, het enige in zijn soort in de zuidelijke Randstad, mocht met zijn stoffige verzameling niet te veel uit de toon vallen en moest daarom vergroot en vernieuwd worden. De nieuwe vleugel, ontworpen door Erick van Egeraat - voorheen Mecanoo-architect - een modern geval van glas, staal en beton, is met vier loopbruggen verbonden aan de oude museumvilla.

Geheel in lijn met deze grootse Rotterdamse gedachte is ook het onderwerp van de tentoonstelling: Topstukken tentoon, hoogtepunten uit het Nederlands natuurhistorisch bezit. Achttien natuurhistorische musea waren bereid belangrijke stukken in bruikleen af te staan om deze bijeen te zetten. Het is de eerste keer dat zoiets gebeurt. De enige leidende gedachte achter deze verzameling objecten is dat het 'topstukken' zijn, een gedachte die bij biologen pas in de jaren negentig blijkt op te komen.

'Topstukken tentoon' is vooral geschikt voor een publiek dat normaal de natuurhistorische musea mijdt. Gezien de ligging van het Natuurmuseum Rotterdam, pal naast de Kunsthal, bestaat er inderdaad gerede kans dat veel kunstliefhebbers deze tentoonstelling er even bij doen.

Wat zij dan te zien krijgen is een bijzondere presentatie van voorwerpen als een opgezette Tasmaanse buidelwolf (deze eeuw uitgestorven), een fossiel van een reuzesalamander (eertijds aangezien voor de zondvloedmens), de laatste wilde bever in Nederland (die in 1826 te Zalk werd doodgeknuppeld), de eerste Ross' meeuw uit het Noordpoolgebied (in 1958 in Nederland gevonden door Arie Spaans, nu nog leidend meeuwenkenner), de Archeopterix van het Teyler Museum, zoogdierschedels verzameld door Max Weber, een vitrine met mieren en mierengasten van pater Erich Wasmann S.J. en een plak van bijzondere granietkei uit Zuid-Finland: de witte rapakivi. Veel curiosa betreffen 'de eerste' en 'de laatste' van een diersoort in Nederland.

Normaal maken deze stukken deel uit van een verzameling en kunnen met de andere delen daarvan vergeleken worden - het belangrijkste bestaansrecht van een natuurhistorische verzameling. Maar voor deze ene keer staan de objecten alleen, losgezongen van hun oorspronkelijke omgeving en zelfs van de verzameling waarvan ze deel uitmaken. Dit effect wordt versterkt door de voorwerpen - hoogste ongebruikelijk voor een natuurhistorisch museum - in duisternis op te stellen en met spots uit te lichten.

Het heeft heel wat voeten in aarde gehad om de objecten voor 'Topstukken tentoon' bijeen te krijgen. Tussen musea, natuurhistorische niet uitgezonderd, bestaat nu eenmaal altijd wat kinnesinne. Waarom Rotterdam helpen aan een tentoonstelling, als die stad alleen maar het idee geleverd heeft? Ook de gedachte dat Rotterdam niet bereid was mee te werken aan een wisseltentoonstelling met de topstukken maakte de andere musea wat terughoudender. De èchte topstukken werden dan ook om verschillende redenen niet uitgeleend: de Javamens van Dubois uit Leiden, de quagga (een uitgestorven zebrasoort) uit Amsterdam en nog enkele andere.

Niettemin, er is weer eens een behoorlijke tentoonstelling van natuurhistorische voorwerpen. Het loont de moeite om te gaan - een toptentoonstelling als deze is zelf niet alleen de eerste maar misschien ook de laatste.