Plaggen van bosbodems helpt paddestoelen

Plaggen van bosbodems helpt de groei van Ectomycorrhiza-schimmels. In het najaar verschijnen na het plaggen 25 tot 30 van deze paddestoelensoorten, terwijl er anders niet meer dan drie of vier soorten voorkomen. Dit blijkt uit een proef van vier jaar in bossen in Dwingeloo en Smilde in Drenthe. Jacqueline Baar promoveerde op dit onderwerp op 9 juni aan de Landbouwuniversiteit Wageningen.

Door de zure neerslag ontwikkelen dennebomen meer en dikkere naalden. Strooiselafbrekers kunnen hun werk minder goed doen, omdat er teveel stikstof in de naalden zit. Hierdoor hopen de dennenaalden zich jaar na jaar op en krijgen paddestoelen minder kans. Bioloog Baar vond een lineair verband tussen de dikte van de strooisellaag en het aantal paddestoelen. Hoe dikker het naaldenpakket hoe minder paddestoelen.

Bekende voorbeelden van ectomycorrhiza-schimmels zijn vliegenzwam, eekhoorntjesbrood en cantharel. Andere fraaie, maar minder gangbare soorten, zijn okerkleurige vezeltruffel, narcis-amaniet, tolzwam en de witbruine ridderzwam.

Ectomycorrhiza leven in symbiose met bomen. De ondergrondse mycelia van deze paddestoelen zitten aan de buitenkant van de boomwortels en beschermen de boom tegen infecties en uitdroging. De schimmels nemen voedingstoffen op uit de bodem en geven die door aan de boom in ruil voor suikers.

Het weg scheppen van de dikke strooisellaag heeft het meeste effect in middeloude (15 tot 50 jaar) en oude (meer dan 50 jaar) bossen. In de proef werd het plagwerk verricht door mensen van de sociale werkplaats in Beilen. Het strooisel werd verkocht aan een azaleakweker.

Inmiddels wordt plaggen in praktijk gebracht door Staatsbosbeheer samen met Natuurmonumenten in vier grove dennebossen bij Hulshorst, Kootwijk, Drunense Duinen en Terschelling en in twee eikebossen bij Schoorl en Steenwijk.