PCB's zijn toch gedeeltelijk biologisch afbreekbaar

Op de bodem van de Nederlandse rivieren heeft zich de afgelopen tientallen jaren veel slib opgehoopt dat ernstig vervuild is met zware metalen, polycyclische koolwaterstoffen (PAK's) en polychloorbifenylen (PCB's). PAK's en PCB's staan er om bekend dat ze niet biologisch afbreekbaar zijn. Onderzoek uitgevoerd aan het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling (RIZA) wijst echter anders uit. Onderzoeker Koos Beurkens toonde aan, dat sommige bacteriestammen die op de bodem van het Ketelmeer leven, in staat zijn in zuurstofloze waterbodems chloorbenzenen, PCB's en zelfs gechloreerde dioxinen heel geleidelijk om te zetten in minder schadelijke verbindingen. Dat geldt zowel voor zoetwaterbodems als voor zoutwaterbodems. Op 13 juni promoveerde Beurkens aan de Landbouwuniversiteit in Wageningen.

In de benedenloop van rivieren daalt de stroomsnelheid. Daardoor zakken zwevende deeltjes die zich in het water bevinden naar de bodem, waar ze een dikke sliblaag vormen. Aan deze slibdeeltjes hebben zich vaak verontreinigingen gehecht, zoals zware metalen, PAK's, PCB's, chloorbenzenen, polychloordibenzofuranen en dioxines. Vooral de benedenloop van Rijn, Maas en Schelde is ernstig vervuild. De totale hoeveelheid sterk vervuild slib in deze gebieden wordt geschat op meer dan 100 miljoen kubieke meter.

Vanaf een paar centimeter diepte echter bevat de bodemlaag geen zuurstof meer. Daar blijken bacteriën te leven, die een deel van de schadelijke verbindingen wel degelijk weten af te breken. In het Ketelmeer bezinkt slib dat is aangevoerd door Rijn en IJssel. In 1972 zijn hier monsters van de toplaag genomen en opgeslagen in het laboratorium, recent werden nieuwe monsters genomen. De nieuwe boorkernmonsters werden in laagjes verdeeld en gedateerd met behulp van radiochemische technieken. Zo kon men precies nagaan welk laagje in welke periode was afgezet. Vergelijkt men nu de laboratoriummonsters uit 1972 met een sliblaag die eveneens uit 1970 dateert, maar al die tijd op de bodem van het Ketelmeer heeft gezeten, dan blijkt het PCB-gehalte in het meer in deze 20 jaar tot vijfmaal lager geworden. Ook het hexachloorbenzeengehalte is aanmerkelijk gedaald. Het zware-metalengehalte blijft echter onveranderd.

De bacteriën in het slib blijken in staat om chlooratomen uit de schadelijke gechloreerde verbindingen te verwijderen, waardoor ze minder giftig worden en zich minder ophopen in levend materiaal. Hexachloorbenzeen wordt omgezet in tri- en dichloorbenzenen, die vervolgens onder zuurstofrijke omstandigheden volledig afgebroken kunnen worden tot onschadelijke produkten zoals koolzuurgas. Een nadeel is, dat de ontchloorde stoffen mobieler worden en makkelijker door het water kunnen worden verspreid. De bacteriën gedijen het beste bij een temperatuur van zo'n 30 graden Celsius, maar doen het ook nog bij een graad of drie. Ze zijn ook in zout water actief. Ook in de haven van Delfzijl blijken biologische reinigingsprocessen op te treden.

    • Marion de Boo