Ook liberaal politicus dient te moraliseren

Liberalen hebben de neiging het individu los te haken van zijn omgeving en de betekenis van gemeenschappelijke waarden te verwaarlozen. Dat is de kern van de communitaristische kritiek op het liberalisme. Klaas Groenveld en Gerry van der List nemen de kritiek ter harte. Ze zien het als een opdracht het deugden-ethos van het communitarisme te combineren met de liberale vrijheidsleer.

Dit artikel is een beknopte weergave van het pas gepubliceerde geschrift 'Tussen vrijblijvendheid en paternalisme. Bespiegelingen over communitarisme, liberalisme en individualisering', waarvan zij co-auteurs zijn.

Een spook waart door Europa - het spook van het communitarisme. Het handjevol filosofisch geïnteresseerde academici dat vanuit de studeerkamer geleerd commentaar levert op politieke verwikkelingen, praat er al een tijdje met passie over, maar het gemeenschapsdenken dat vanuit de Verenigde Staten naar ons continent is komen overwaaien, trekt nu ook in bredere kring aandacht. De Britse Labour-leider Tony Blair flirt er openlijk mee, de christen-democraten begroeten enthousiast een verwante ideologische stroming en volgens enkele commentatoren verkondigde koningin Beatrix in haar opmerkelijke 5-meirede, bewust of onbewust, denkbeelden die aan het communitaristische gedachtengoed herinnerden.

Wat is nu precies dat communitarisme? De contouren van de beweging zijn nogal vaag (in dit opzicht heeft ze inderdaad iets spookachtigs), maar, generaliserend gesproken, hebben de communitaristen met elkaar gemeen dat zij zich zorgen maken over de desintegratie van de moderne samenleving en een tegenwicht willen bieden tegen de voortschrijdende individualisering door een herwaardering van de gemeenschap(pen) waarvan individuen deel uitmaken. Hun pijlen richten de communitaristen vooral op de liberalen. Kern van de communitaristische kritiek op het liberalisme is dat deze politieke theorie het individu los van zijn omgeving en zijn verleden zou zien, dat zij te weinig oog zou hebben voor de betekenis van gemeenschappen en gemeenschappelijke waarden en tradities, en dat zij abstract geformuleerde, universele rechten ten onrechte zou laten prevaleren boven persoonlijke banden en verplichtingen ten opzichte van de eigen groep. Tevens keren de communitaristen zich tegen de, door - sommige - liberalen verkondigde, opvatting dat de staat zich niet moet uitspreken over de diverse concepties van het goede leven die individuen aanhangen. Door een dergelijke neutraliteit zou het liberalisme verzuimen burgers aan te sporen tot een deugdzaam leven en aldus de basis van de goede samenleving ondermijnen.

Door verscheidene commentatoren is opgemerkt dat het communitarisme in veel opzichten oude wijn in nieuwe zakken is en ons, Nederlanders, weinig te bieden heeft. Bart Tromp heeft bijvoorbeeld gewezen op het feit dat de vaderlandse sociaal-democratie een lange traditie van gemeenschapsdenken kent (men denke aan Banning en Vorrink) en al decennia doordesemd is van communitaristische aspiraties. En J.A.A. van Doorn heeft de aandacht gevestigd op de communitaristische, organische trekken van het Nederlandse liberalisme, waarbij een rechte lijn loopt van Thorbecke via Quack en Treub naar de vrijzinnig-democraten. Daar komt bij dat het communitarisme vooral een tegenbeweging is, die zich opwindt over 'Amerikaanse toestanden', maar in haar praktische aanbevelingen niet verder komt dan een vaag soort ethisch reveil.

Deze kanttekeningen zijn terecht. Niettemin wijzen de communitaristen wel op reële problemen waarmee liberalen worstelen en hebben zij zich ontwikkeld tot de meest spraakmakende critici van de politieke filosofie die men, in navolging van Fukuyama, tegenwoordig als de dominante ideologie in het Westen ziet. Met wie anders kunnen liberalen, na de déconfiture van het marxisme, momenteel nog serieus debatteren?

De communitaristen maken zich geregeld schuldig aan overdrijving als zij zich uitspreken over de liberale filosofie en samenleving. Dat liberalen individuele vrijheid vooropstellen, betekent bijvoorbeeld geenszins dat zij antisociaal zijn in de zin dat zij sociale banden zouden negeren of afkeuren. Liberale idealen en instellingen zijn ondenkbaar zonder de aanwezigheid van een hecht netwerk van sociale relaties. Men kan zelfs betogen dat de liberalen de mens meer als een sociaal wezen beschouwen dan communitaristen. Liberalen geloven namelijk dat individuen zich vrijwillig, uit zichzelf, binden aan anderen. De staat is niet noodzakelijk om die gemeenschapsvorming te bevorderen en verstoort zelfs vaak, door in te grijpen in het vrije spel der maatschappelijke krachten, de normale processen van groepsvorming en culturele ontwikkeling. Het zijn juist de communitaristen (en in Nederland de christen-democraten) die vrezen dat individuen in een toestand van anomie en isolement terecht komen als de staat zich niet inspant om hen samen te brengen.

De communitaristische vrees voor atomisering die de liberale samenleving zou ondermijnen, doet ook wat overdreven aan. Bij de individualisering die moderne samenlevingen kenmerkt, gaat het niet om het verbreken van bindingen, om sociale desintegratie, maar om het minder dwingend maken van bindingen. Een geringere afhankelijkheid van de mensen in de directe omgeving betekent niet automatisch dat men vereenzaamt of zich niet zou willen inzetten voor de medemens. Individuele vrijheid en solidariteit blijken elkaar allerminst uit te sluiten. Veelal zijn in vrijheid gekozen bindingen hechter dan gedwongen relaties.

So far, so bad. Naast overdrijvingen en karikaturen biedt het communitarisme echter ook waardevolle inzichten. Zo hebben veel liberale denkers nogal eenzijdig de nadruk gelegd op juiste procedures en rechtvaardige wetten. De staat moet zich volgens deze liberale visie neutraal opstellen tegenover individuele levenswijzen. Zolang de wet niet overtreden wordt, blijft de overheid afzijdig. Het probleem van een dergelijke opstelling, beweren communitaristen niet ten onrechte, is dat uit het oog verloren wordt dat sommige levenswijzen eerder tot wetsovertredingen leiden dan andere en dat bepaalde deugden onontbeerlijk lijken voor het voortbestaan van een samenleving.

Hoewel communitaristen overdrijven als zij individualisering gelijkstellen met atomisering, is het voorts wel zo dat het ene tot het andere kan leiden. Het losser worden van maatschappelijke (ver)banden kan een probleem zijn omdat groepen een belangrijke socialiserende invloed op het individu uitoefenen. Zij dragen normen en waarden over die cruciaal zijn voor de maatschappelijke stabiliteit en integratie. Sociale misfits, zoals verslaafden en criminelen, zijn doorgaans niet afkomstig uit hechte sociale groeperingen. De zegswijze 'Doe wat je wilt, de mensen kletsen toch', het motto van het naar volledige onafhankelijkheid strevende individu, kan geen adagium zijn voor een beschaafde samenleving. Een maatschappij kan niet zonder een zekere mate van sociale controle, betogen de communitaristen terecht.

Men mag niet zeggen dat 'het' liberalisme het belang van deugdzaamheid en de integrerende werking van sociale verbanden heeft onderschat. Wel kan men dit beweren van bepaalde stromingen binnen de pluriforme liberale beweging. Zo wordt in de academische wereld het liberale denken vaak vereenzelvigd met John Rawls. Deze Harvard-filosoof abstraheert in het sociale contract dat hij als gedachtenexperiment ontwikkelt, geheel van de maatschappelijke werkelijkheid en zijn ahistorische studeerkamerfilosofie doet dan ook wat steriel aan. De communitaristen hebben naar onze mening gelijk met hun scepsis ten aanzien van pogingen de samenleving te sturen aan de hand van in de leunstoel bedachte theorieën.

In de praktijk hebben sommige liberalen moralisme weleens verward met bemoeizucht en prezen zij vrijblijvendheid zo nu en dan aan als tolerantie en vrijheidsliefde. Het 'gewoon jezelf zijn'-denken dat hier en daar in liberale kringen sympathie genoot, was niet bevorderlijk voor een actieve bemoeienis met de publieke moraal. Moraliseren werd wel als een typische hobby van christen-democraten en conservatieven gezien, terwijl een publieke moraal waarin eigen verantwoordelijkheid, zelfredzaamheid, fatsoen en respect voor regels centraal staan, toch een essentiële voorwaarde is voor een duurzame open samenleving.

Voor liberalen, geconfronteerd met diverse verschijnselen van maatschappelijke desintegratie (zoals de stijgende criminaliteit), is het een intellectuele opdracht aan te geven hoe het deugdenethos van de communitaristen (en conservatieven) gecombineerd kan worden met de liberale vrijheidsleer. De liberale staat moet niet 'neutraal' zijn, maar dient te wijzen op het belang van waarden als zelfredzaamheid en verantwoordelijkheid zonder te vervallen in een bevoogdende heilsleer die mensen vertelt hoe ze gelukkig moeten worden. Liberalen hebben het recht en de plicht burgers te wijzen op de waarde van verdraagzaamheid en verantwoordelijkheidsgevoel. Zij mogen burgers voorhouden dat zij meer voor zichzelf en hun naasten moeten zorgen, en niet bij elk probleempje een beroep op de overheid moeten doen. Zij kunnen betogen dat het voortbestaan van democratische instellingen een zekere betrokkenheid van burgers vereist, een zekere inzet voor de publieke zaak, en mogen burgers oproepen van hun democratische rechten gebruik te maken.

VVD-leider Bolkestein heeft de voormalige minister van justitie, Hirsch Ballin, wel eens voorgehouden dat hij niet moet moraliseren, maar boeven moet vangen. Naar onze mening - dat zal inmiddels duidelijk zijn - is het echter wel degelijk mogelijk en zelfs wenselijk dat politici moraliseren. Wel is het uiteraard zo dat zij als moralist pas geloofwaardig klinken wanneer op hun eigen gedrag weinig valt aan te merken. Het leidt alleen maar tot cynisme bij burgers als zij partijen die verantwoordelijk zijn geweest voor een enorme groei van de staatsschuld en het financieringstekort, de waarden van zuinigheid en spaarzin horen verdedigen. Ook bewindslieden die weigeren persoonlijke consequenties te trekken uit een falend beleid, kunnen bezwaarlijk als moraalbaken fungeren.

Net zoals dat vroegere spook, het communisme, biedt het communitarisme geen alternatief voor de liberale samenleving, maar levert het wel inzichten waarvan de liberale intellectuele traditie gebruik kan maken. Communitaristen kunnen liberalen inspireren tot een hernieuwde kijk op de filosofische wortels van de eigen stroming, tot een beter besef van de eigen traditie.

Deze speurtocht naar de eigen grondslagen leert onder meer dat klassieke liberalen zoals Hume, Smith, Montesquieu en Tocqueville niet abstraheerden van de maatschappelijke realiteit, maar juist vonden dat geschiedenis en cultuur belangrijke aanknopingspunten bieden voor het stimuleren van de groei van een liberale samenleving. De klassieke liberalen zagen het individu niet als een lone wolf, maar als een sociaal wezen dat sterk let op de opvattingen van zijn medeburgers en op de wijsheid van de vorige generaties. Al een paar eeuwen vóór koningin Beatrix verdedigden klassieke liberalen bovendien de stelling dat vrijheid aan verantwoordelijkheid moet worden gekoppeld en dat burgers niet alleen rechten, maar tevens (morele) plichten hebben. Zij deinsden dan ook niet terug voor het propageren van bepaalde normen en waarden; de Schotse moraal-filosoof Adam Smith zag deugden als de smeerolie van de samenleving.

Dit klassieke liberalisme sluit goed aan bij de vaderlandse traditie. De sterk door het Duitse organische denken beïnvloede Thorbecke was de geestelijk vader van een vrij moralistisch, opvallend weinig individualistisch Nederlands liberalisme dat een open oog had voor het belang van traditie en gemeenschapszin. In plaats van zich te beroepen op abstracte beginselen en rationele redeneringen, keek het liever naar de concrete, historisch gegroeide werkelijkheid. Individualisering betekent een grotere bewegingsvrijheid voor burgers. Hoe mensen hun vrijheid verkiezen te gebruiken, hangt voor een deel af van de politieke, sociale en culturele omstandigheden waarin ze opgroeien en vertoeven. Voor het duurzaam voortbestaan van een maatschappij is het van belang dat geïndividualiseerde burgers eerder de neiging hebben fatsoenlijke dingen te doen dan onfatsoenlijke. Het doel van de liberale politiek in de komende decennia moet daarom zijn de vervelende (neven)effecten van individualisering te beperken door te werken aan de totstandkoming van een tot verantwoordelijk gedrag motiverende publieke moraal en maatschappijvorm. Ingegaan moet daarbij worden tegen de postmoderne 'het moet kunnen'-mentaliteit die bemoeienis van burgers met het gedrag van anderen al (te) snel als bemoeizucht veroordeelt.

Bij deze strijd tegen het relativisme zullen hedendaagse liberalen, in navolging van Smith, Thorbecke en andere grote voorbeelden uit het verleden, het midden moeten houden tussen vrijblijvendheid en paternalisme. Zij zullen stelling moeten nemen tegen een asociale, onverantwoorde opstelling die anderen schade en overlast berokkent (van druggebruik tot milieuvervuiling) zonder de principiële tolerantie ten aanzien van afwijkend, noncomformistisch gedrag prijs te geven die het geïndividualiseerde Nederland van de jaren negentig gunstig doet afsteken bij de puriteinse en in veel opzichten benepen maatschappij van vóór de jaren zestig. Liberalen die zich op deze wijze inzetten voor vrijheid in verantwoordelijkheid, hoeven niet te vrezen voor communitaristische spoken.