Nog

Bah, in m'n hoofd is het net zo'n rotzooi als op deze kamer. Constant spookt het daar in eeuwiglijkende cirkelgang: “Wat moet ik nog doen, wat moet ik nu doen, waarom doe ik dit, wat doe ik hier, moet ik nog iets doen?” De laatste maand van het schooljaar heeft een leraar niets te doen, heeft het daar knetterdruk mee en ondertussen siepelt de tijd tussen zijn vingers door, de kostbare tijd van bloemetjes en vogeltjes buiten.

Nog zes lessen moet ik geven tot de vakantie, eigenlijk een werkdag uitgesmeerd over een week. Ik zie er tegen op. Het rooster voor de proefwerkweek, een boekwerkje, heb ik inmiddels vermalen tot korte instructies in de agenda. (“Waar is m'n agenda?!” denkt een mens driemaal per dag in paniek). Zo staat er bij donderdag het vijfde lesuur 'surv H3a lok 16 na'. Dan en daar zal ik vijftig minuten in gedwongen rust verkeren, heerlijk.

(“Hee, ik heb H3a die dag ook nog voor een gewone les, valt mee, kan ik toch nog met enig fatsoen dat hoofdstuk afhandelen, want ik heb ze nu nog even kijken, twee nee zelfs drie uur, of waren ze nog op excursie, moet ik morgen even nagaan want anders loopt toch de boel nog in de soep, o jee, als ik dat maar niet vergeet of zal ik dat nog opschrijven waar is m'n pen pompompom ikhebgeenzinmeer”.)

Het leven staat dezer dagen tussen haakjes, in gedachten hol ik van het ene haakje naar het volgende. (Laat ik nu eerst even m'n eerste corrector (dat is de persoon van wie ik gecontroleerd heb of hij zijn eindexamens netjes heeft nagekeken - hij was wel wat soepeltjes maar ik zal niet moeilijk doen) bellen, gisteren ook al twee keer geprobeerd, steeds niet thuis.) (Verdomme, op dinsdag het proefwerk van 2d en dan woensdag de cijfers inleveren terwijl ik 's avonds nog......) (Hoe kan dat nou: donderdag vergadering van de milieucommissie en T (die voorzitter is) moet surveilleren. Wordt natuurlijk verschoven, kan ik er weer niet bij zijn, hoewel is misschien toch verloren tijd.) (Ik moet er wel aan denken E te vertellen dat dat cijfer van N toch WEL een 6,4 is.)

(Dat weekend van de zestiende valt midden in de proefwerkweek, komt er niks van correctie want dan is eerst F op bezoek en later nog de familie.) (Was die kluns van een A weer ziek toen II41 een schriftelijk kreeg. Dat is de tweede keer op rij. Ik moet morgen met hem een inhaaldatum afspreken. Dat joch komt echt niet naar mij toe. Kost me bij elkaar weer een half uur, dat gezeur.) (We moeten ook nog een sectievergadering houden voor het eind van het jaar hoewel dat natuurlijk weer eindigt in vrijblijvend geleuter over de goede voornemens die we in september vergeten zullen zijn.)

Twaalf maal 'nog' hierboven. 'Nog', toppunt van taalkundige armoe, van gebrek aan tekst, tijd en evenwicht.

Laat ik het brein stil zetten bij iets prettigs. De heer M. uit 's-G, in september drie en herstellende van waterpokken, brengt zijn overgrootmoeder een pannekoek van klei. “O, dankjewel” zegt oma en neemt een denkbeeldig hapje. “Mag ik er suiker op?” De heer M loopt weg naar de kleitafel en komt terug met een handje vol denkbeeldige suiker die hij over de pannekoek strooit. “Heerlijk”, zegt oma smullend en geeft de niet/wel/niet gegeten pannekoek terug waarmee de heer M tevreden naar de kleitafel loopt. Zo werkt het brein. Vervuld van onzin - of je nou klein of groot bent.