Kabelabonnees hebben recht op vinger in pap

Het idee om een referendum te organiseren over de verkoop van de KTA, het kabeltelevisienetwerk van Amsterdam, is ten minste even slecht als het idee om het netwerk te verkopen.

De hoogte van het bedrag waarvoor de KTA, het kabeltelevisienetwerk van Amsterdam, wordt verkocht (700 miljoen) lijkt mij geen goede reden om een heel referendum te organiseren, zoals Roel van Duijn suggereert in NRC Handelsblad van 12 juni. Enerzijds valt, wegens de tot nu toe geringe belangstelling van het publiek, niet veel te verwachten van de opkomst en kan het terugdraaien van de verkoop alleen maar tot hoge kosten leiden (schadeclaims, gederfde rentebaten), anderzijds heeft deze verkoop grote voordelen, die in dit stadium ruimschoots opwegen tegen de nadelen van het stopzetten ervan. Daarom denk ik dat het er nu niet (meer) om gaat wie zich straks de nieuwe eigenaar mag noemen van het Amsterdamse kabelnetwerk - de gemeente of niet de gemeente -, maar dat het veel zinniger zou zijn eens serieus te kijken naar de mogelijkheden waarmee de kabelabonnees invloed kunnen blijven uitoefenen op het beleid van de nieuwe eigenaar.

Momenteel worden alle Amsterdamse kabelabonnees vertegenwoordigd door een 'programmaraad' die uit slechts twaalf niet democratisch gekozen leden bestaat, meestal willekeurige, a-politieke en niet professionele personen, in theorie afkomstig uit alle lagen en groepen van de bevolking, met een 'affiniteit' met het medium. Na de verkoop van de samengevoegde netwerken van Amsterdam en enkele omliggende gemeenten, vertegenwoordigen deze twaalf leden bijna een miljoen mensen, een twijfelachtige situatie. Bovendien heeft de programmaraad de laatste jaren nogal wat blunders gemaakt, zoals met het 'experiment' met de Deutsche Welle in plaats van WDR3, en nu met het voorstel Eurosport, NBC-Superchannel en MTV te schrappen, deze laatste ten gunste van een Arcade-zender, die op die manier mooi reclame voor de eigen produkten kan maken.

Er zouden nu eindelijk eens een paar realistische voorstellen gedaan moeten worden voor een goede vertegenwoordiging van kabelabonnees bij hun exploitanten. Dan zou het gevaar verdwijnen dat straks de kabelexploitant bepaalt wat de abonnee te zien en te horen krijgt. En dan kan het beperkte aantal radio- en televisiekanalen optimaal worden verdeeld volgens de verschillende wensen, zonder dat er te veel van het een en te weinig van het ander wordt doorgegeven; het gevaar van vervlakking is immers voortdurend aanwezig. Het aantal leden van de programmaraad zou moeten worden uitgebreid en wellicht kan er zelfs gedeeltelijk een politiek tintje aan worden toegekend.

Niet de vraag wie de kabel uiteindelijk in bezit heeft, maar de invloed van de abonnees op het kabelbeleid is op dit moment belangrijk. Die kwestie is misschien wel een referendum waard.