IOC-baas tegen Geesink: 'Een wijs besluit, Anton'

BOEDAPEST, 15 JUNI. Woensdagmiddag half vier. Marriott Hotel Boedapest. De zwaar bewaakte suite van Juan Antonio Samaranch. Tussen bewakers en witte olympische vlaggen in klopt Anton Geesink op de deur van de voorzitter van het Internationaal Olympisch Comité.

“Mister president”, bast de voormalig judokampioen. “Ik kom mij kandidaat stellen voor de Executive Board.” “Een wijs besluit, Anton”, antwoordt de hoogste sportbestuurder ter wereld.

Anton Geesink kandidaat voor het hoogste bestuurscollege in de internationale sportwereld, in het exclusieve elftal bestuurders dat de internationale sportwereld dicteert. De Utrechter (61) ziet het wel zitten. “Het is bedoeld als de volgende fase van mijn werk in de olympische beweging”, zegt hij vlak voor de opening van de 104de sessie van het IOC. “Maar ik ben er nog niet. Er zijn vijf kandidaten. Het enige dat ik te bieden heb is werklust en sport-knowhow.”

De Executive Board bestaat uit de voorzitter, Samaranch, vier vice-voorzitters en zes leden. Van de vice-voorzitters treedt de Rus Smirnov terug. Hij wordt waarschijnlijk opgevolgd door het Hongaarse lid Schmidt. Zijn vrijkomende plaats is daarom voor een van de vijf nieuwe kandidaten.

Geesink liep al eerder met het idee rond zich kandidaat te stellen. “De constante moeilijkheden in Nederland hebben mij er echter verleden jaar van weerhouden.” Maar de oud-judoka wil de strijd nu langer uit de weg gaan. “Ik was een topsporter en ik ben dat als bestuurder ook. Als judoka verloor ik niet zo vaak, als bestuurder kan ik best een nederlaag hebben. Misschien haal ik het niet. Maar ik wilde niet langer wachten om me kandidaat te stellen.”

Geesink raakte in eigen land op olympisch bestuurlijk niveau keer op keer in conflict met het NOC, vooral met voorzitter Wouter Huibregtsen. Geesink: “Tussen '87 en '90 lagen drie jaar van rebellie. Daarna heb ik het internationale gebeuren opgepakt. Nu is het tijd voor de volgende stap.”

De situatie in Nederland beziet Geesink al jaren met zorg. “Wie in Papendal heeft een olympische achtergrond? Niemand! Als er geld in de Nederlandse sport wordt gepompt, is dat alleen voor de topsporters. Dat past absoluut niet in ons sociaal maatschappelijk bestel. Laat NOC*NSF toch duidelijk stellen dat men er alleen is voor het verkopen van de olympische ringen - wat ze nog slecht doen ook - en het deelnemen aan de Spelen.” (ANP)