HERDENKING

Wij schuilden onder dropplend lover

Gedoken aan de plas;

De zwaluw glipte 't weivlak over

En speelde om 't zilvren gras;

Een koeltje blies, met geur belaân

Het leven door de wilgenblaân.

't Werd stiller; 't groen liet af van droppen;

Geen vogel zwierf meer om;

De daauw trok langs de heuveltoppen

Waar achter 't westen glom;

Daar zong de Mei zijn avendlied!

Wij hoorden 't, en wij spraken niet.

Ik zag haar aan, en, diep bewogen

Smolt ziel met ziel in een.

O toverblik dier minlijke ogen

Wier flonkring op mij scheen!

O zoet gelispel van die mond

Wiens adem de eerste kus verslond!

Ons dekte vreedzaam wilgenlover;

De scheemring was voorbij;

Het duister toog de velden over;

En dralend rezen wij.

Leef lang in blij herdenken voort

Gewijde stond! geheiligd oord!

A.C.W. Staring (1767-1840)

Een imago vormen gaat gemakkelijk genoeg, maar er af raken is een tweede. Wie eenmaal het etiket 'zuurpruim' opgeplakt kreeg kan vervolgens vriendelijk kijken wat hij wil, hij zal altijd een zuurpruim blijven. Zelfs zijn schaterlach is verdacht: die lach is - luister maar goed - vast bedoeld als honende schaterlach. Nee, een imago raak je slecht kwijt.

Zelf moet ik altijd horen dat ik 'iets' met de negentiende eeuw heb. Ik zou de poëzie van die eeuw aanbidden, althans waarderen, althans almaar uit de vergeethoek willen halen. Ik zou die poëzie een aanzienlijke plaats en rol toebedelen in mijn opvatting over de ontwikkelingsgang van de dichtkunst in het algemeen. In werkelijkheid komt in het derde deel van de bloemlezing De Nederlandse poëzie van de 19de en 20ste eeuw in 1000 en enige gedichten de puur negentiende-eeuwse poëzie, tot de periode dus dat Kloos en trawanten hun Nieuwe Kunst aankondigden, op zo'n 300 bladzijden - op een totaal van 1150. Dat is waarachtig niet veel voor een hele eeuw. Ik heb er ook niks van weten te brouwen. Die eeuw komt er ook bij mij het bekaaidst af. Mag ik eindelijk eens worden verlost van dat negentiende-geëeuw, s.v.p.?

Minder slijtvaste en houdbare gedichten dan uit alle andere eeuwen, dat zou men met de Duitse, Franse of Engelse literatuur eens moeten proberen. Ik ben niet zo verzot op het misprijzend vergelijken van de Nederlandse literatuur met de buitenlandse, maar voor de poëzie van de Romantiek gaat het zeker op. Wij hebben geen Wordsworth, Hölderlin of Victor Hugo, om maar drie willekeurige namen te noemen uit een rij die verbijsterend uitbreidbaar is. We hebben geen rijk reservoir aan kleinere en ten onrechte vergeten talenten, zoals de ons omringende landen. Wij tellen poëtisch niet mee in de eerste helft van de negentiende eeuw. Al gaan we op ons hoofd staan, 't is zo.

Staring is onze enige redding. Hij is niet louter een groot dichter door onze wil er toch iets van te maken, van onze Nederlandse Romantiek, hij zou ook internationaal glansrijk overeind blijven.Als hij het weergaloze Herdenking in het Duits had geschreven, dan was daar de blik van een groot componist op gevallen, zeg van Schubert of Schumann (hoewel ik persoonlijk vind dat het gedicht een hoger Schubert-gehalte heeft) en dan hadden we - want bijna alle lyrische gedichten van Staring zijn opperst zingbaar - naast de Goethe-Lieder en de Heine-Lieder ook de Staring-Lieder gehad. Soms moet er iets zijn in de kunst, en dan is het er niet.

Maar 't blijft zinloos te fantaseren welke ontmoetingen er in de geschiedenis hadden kunnen plaats hebben en bovendien, in Nederland was het in die periode met de muziek nog slechter gesteld dan met de poëzie, héél beroerd dus. Stel dat er toen één Nederlandse componist van formaat was geweest, en hij had Staring verklankt, hoe zou nu een zin als Gewijde stond! geheiligd oord! door onze oorschelp ruisen...

Herdenking is typisch Lieder-achtig opgebouwd, elk refrein met een ingehouden inzet - schuilen, stiller, diep bewogen, vreedzaam - waarna in de tweede helft zich steeds weer iets begint te roeren, met een licht aanzwellende energie - een koeltje blies, daar zong de Mei, o zoet gelispel, en dralend rezen wij - terwijl de slotregel van ieder refrein geschikt is voor de daverende ontlading van een volgezogen borstkas

Lass auch dir die Brust bewegen!

Liebchen, höre mich!

Bebend harr' ich dir entgegen!

Komm, beglücke mich!

ach, wat zou ik Herdenking óók graag eens op zijn Schubertiaans horen zingen... Je hoeft Zwaluw glipte 't weivlak over maar te neuriën als Leise flehen meine Lieder, om te weten hoe melodieus Staring schreef, hoe hij ondanks zijn imago van moeilijkheid de muziek in zijn vingers had. Men noemt hem wel een compact dichter, maar het is een compactheid die voor muziek lijkt geschreven. Men noemt hem moeilijk - maar de moeilijkheden verdwijnen zodra je hem zingt. De aandacht voor de kracht van elk afzonderlijk woord en voor de hoogspanning die door hun opeenvolging bereikt kan worden, 't verbindt zijn poëtica met de kunst van het lied.