God en Auschwitz: niemand snapt het

Hoeveel en wat voor invloed heeft de holocaust gehad op het christelijke denken en op het christelijke geloof? Kunnen mensen nog vertrouwen in God of in de menselijke goedheid hebben? Is dat wat sommige mensen God menen te kunnen noemen, niet beyond belief geworden, is sinds Auschwitz niet alle godsdienst definitief ongeloofwaardig geworden?

Zulke vragen werden vorige week aan de orde gesteld op een nogal uitputtende, eendaagse bijeenkomst van het Bezinningscentrum van de Vrije Universiteit in Amsterdam en de Vereniging voor christelijk wetenschappelijk onderwijs, de draagster van die oorspronkelijk gereformeerde universiteit.

Vrijwel alle kwaad kwam die dag aan de orde. Nog een wonder dat er nog mensen met levensmoed zijn als het echt zo is dat Auschwitz en de tegen Hirosjima en Nagasaki gebruikte atoombommen een 'ontologische breuk' in de menselijke geschiedenis hebben veroorzaakt. Sindsdien is alles anders geworden, vindt de Amsterdamse theoloog R. Reeling Brouwer, want Auschwitz confronteert ons “met de ellende van al ons spreken van God en met de dringende vraag of we (over God) niet eindelijk eens ons mond moeten houden”.

Reeling Brouwer zei dat “de kinderlijke” vraag van het geloof wáár God wel was toen zijn volk de gaskamers in werd gejaagd en óf hij er wel was, authentieker is dan welke andere theologische vraag ook. En concludeert dan: we kunnen niet (meer) van God spreken, maar we kunnen ook niet niet van God spreken. Dit, aldus Brouwer, zowel het niet als het niet-niet over God kunnen spreken, is onze tegenwoordige bezoeking. “Het teistert ons, het oordeelt de hele geschiedenis van het christelijke theologiseren.” Alsof de Amsterdamse theoloog daarmee ook wilde zeggen dat men niet mag ophouden over God te spreken omdat Hitler dan alsnog gelijk zou krijgen.

Heel wat minder geloofs- en cultuurpessimistisch liet Huub Oosterhuis zich uit. Enerzijds meent deze katholieke dichter/theoloog dat de taal sinds 1945 “spraakgebrekkig” is geworden omdat niet alleen de cultuur, maar ook de taal ernstig is aangetast, omdat zij werd gebruikt “om de hel te besturen”. De betekenissen van woorden zijn verward en onzeker geworden. Wat betekent 'God' nog? en wat 'mens'? En het woord Auschwitz? Vijftig jaar geleden de naam voor het allergruwelijkste, maar nu is 'Auschwitz' allang niet meer het ergste. Het onvoorstelbare is nu overal.

Aan de andere kant vindt Oosterhuis dat dichters als Lucebert, Vroman, Achterberg en Guillaume van der Graft de taal hervonden hebben. De Roemeense jood Paul Celan (1920-1970), tijdgenoot van Martin Buber, Martin Heidegger en Emmanuel Levinas, zou met zijn poëzie zelfs aan de Duitse taal haar bestaansrecht hebben teruggegeven. Dus “heeft Auschwitz het woord en de poëzie niet het zwijgen weten op te leggen”, aldus Oosterhuis.

Als om te betogen dat Auschwitz geen 'taalprobleem' is, betoogde de vrijzinnige theoloog R. Hensen (tot voor kort hoogleraar in Groningen) dat Auschwitz ook niet gezien moet worden als een metafysisch (bovennatuurlijk) of theologisch thema. Doet men dat wel, dan leidt dat tot “verstomming, bevriezing en stilstand”. “Dan”, aldus Hensen, “wordt Auschwitz de maat van alle geschiedenis en kan er een verdoezeling optreden van de criminaliteit waarvoor mensen verantwoordelijk zijn”. Die criminaliteit slaat nog altijd alles wat denkbaar is. Destijds maakte Hensens opvatting definitief een eind aan de cultuur van medemenselijkheid (van erkenning van de ander, van de vreemdeling, dat hij “er mag zijn”) die tot dan toe bestond.