De laatsten der kleermakers; Een mannenpak als een Rolls-Royce

Wie nog ooit een ouderwetse Nederlandse kleermaker wil zien moet zich haasten. Er zijn er maar enkele over; in de meeste stille achterkamers met parketvloeren waar vroeger op de toontafels de Engelse stoffen uitgerold werden, zijn nu alledaagse kantoren gevestigd.

Spalton & Maas, Hoogstraat 16, Den Haag. Inl 070-3639229

J.P. Aartsen, Stationsstraat 12, Vorden. Inl 05752-1427

Travelling Tailors, Engelandlaan 854, Haarlem. Inl 023-360581

Firma G.A. van der Steur, Kruisstraat 7, Haarlem. Inl 023-320089

Rita Jansen, Willemstraat 23, Amsterdam. Inl 020-6244203

Een pak dragen van een kleermaker is in 1995 zoiets als een Rolls-Royce in de garage hebben staan. Dertig jaar geleden was het bijzonder maar niet zeldzaam - het niveau van een Jaguar of misschien een DS 19. Sindsdien is het produkt te duur geworden. Tientallen uren handwerk gaan er inzitten, en bouwen een rekening op van iets meer of iets minder dan vierduizend gulden.

Er zijn mannen die er geen boterham minder om zouden eten, maar de meesten hebben het er niet voor over. De confectie wordt steeds beter, en wie afwijkende eisen stelt kan het systeem van de maatconfectie benutten: dan geeft hij zelf op wat voor soort pak hij van de machine wil zien komen. Zo nauwkeurig en toch ontspannen als een met de hand gemaakt maatpak kan een pak van het haakje er nooit uitzien, maar dat kan de meeste klanten niet schelen. Zij dragen hun pak alleen naar kantoor, en trekken thuis meteen een trui aan, al gaan zij nog uit eten of naar de opera.

Waarschijnlijk heeft er in Nederland nooit een tijd bestaan toen een goedgemaakt pak bijdroeg aan maatschappelijk welslagen. In ieder geval zijn de kledingvoorschriften tegenwoordig soepel: als het niet bepaald vies is kan ieder jasje ermee door.

In Vorden achter Zutphen ligt aan de Stationsweg de zaak van J.P. Aartsen. Hij is de derde generatie in het vak, en misschien komt er een vierde; zijn zoon heeft nog niet besloten. Aartsen sr. gelooft nog in een toekomst voor het kleermakersvak: “Er zullen altijd mensen zijn die het beste willen, duur of niet.” Zoals leden van oude families uit Overijssel en Gelderland, maar ook agrariërs die eens in de tien jaar een pak bestellen; en hij heeft klanten uit Zwitserland, Engeland, België en Italië. Zijn de Italianen niet de meesteisende klanten van Europa? “Jawel”, zegt Aartsen, “de taak van de kleermaker is het accentueren en styleren van de persoonlijkheid, en Italiaanse mannen willen zich laten zien. Zij lopen dan ook anders dan noorderlingen die geen aandacht willen trekken; wij in Nederland, wij lopen als mensen die net uit de klompen komen.”

“U moet goed begrijpen dat ik geen mode-ontwerper ben”, zegt Aartsen. “Ik maak een pak zoals klanten zeggen dat zij het willen, ik verwezenlijk hun bedoeling, en er is geen sprake van dat het even goed met maat forcé zou kunnen. Het is belangrijk dat ik een fotografisch geheugen heb; ik neem niet alleen de maten, ik bestudeer de lichamen en onthoud al hun afwijkingen en bijzonderheden. Je bent een ambachtskunstenaar, heeft een collega gezegd; dat vond ik goed uitgedrukt.”

'Maat forcé' is een term voor maatconfectie die past bij de oude kleermakerscultuur, net als 'doek', dat gebruikt wordt voor de stof in zijn geheel, onopgemaakt; en als 'pomp', het woord voor correcties aan een voltooid pak. Maar als Aartsen jr. het huis niet voort wil zetten; hoe moet het dan met die cultuur? “De kleermakersopleiding werkt er niet goed voor. Leerlingen komen eraf met algemene kennis en zakenkennis en weinig vakkunde: die moeten zij dan nog beginnen op te steken, en intussen hebben zij recht op een heel salaris.” Het is dus waar dat de vooruitzichten onzeker zijn. Wat veel afgestudeerden ook niet zal bevallen is: “Als kleermaker ben je een ondergeschikte, dat moet je beseffen; je krijgt met mensen te maken die soms hun kribbigheid op een ondergeschikte kwijt willen.”

De laatste uitspraak is ongewoon voor een hedendaagse zelfstandige, en dan nog wel een wiens ideeën over zijn vak aan niemand ondergeschikt zijn. Zo had het niet uitgedrukt kunnen worden door een Hagenaar als H.J. Weber die de waarschijnlijk laatste jaren van huis Spalton & Maas onder zijn hoede heeft. Het ziet er voorbeeldig uit bij hem, boven in de Hoogstraat. Op de achtergrond werkt een stille coupeur voort, terwijl wij zitten te praten.

In 1960 had Spalton & Maas zestig mensen in dienst: vijfendertig aan de Kneuterdijk en vijfentwintig thuiswerkers. En nu? Hoe het bij Weber's huis zal gaan als hij ophoudt, voorspelt hij niet. “Maar er zullen altijd mensen zijn die proberen het mooiste te kopen wat er op de markt te krijgen is. Vergelijk maar met de boten op de Hiswa: de mensen varen in polyester boten, maar als er een houten bij is, staat iedereen er omheen.”

Spalton & Maas vertegenwoordigt in Webers eigen ogen en voor een aantal kenners de Nederlandse kleermakerij op zijn voornaamst. “Wat wij altijd gemaakt hebben heeft dezelfde stijl als de beste kleermakers van Milaan en Parijs en Londen. Onze klanten willen niet opvallen, maar het pak moet perfect zijn. Je moet een pak niet voelen als je het aan hebt; en ik wil niets tegen collega's zeggen, maar sommige overigens goed gemaakte pakken hadden iets stijfs, die misten de juiste toon. Hoe het kan zijn zag je laatst op de televisie aan de ministers bij die conferentie over Bosnië; twee sprongen eruit, Douglas Hurd en de Amerikaan, Warren Christopher: uitstekend. De rest was niks. Wat die maat forcé betreft, dat blijft confectie met minimale aanpassingen. Je kunt het altijd herkennen.”

Er zou een pittig debat te wachten zijn als John Weber geconfronteerd werd met Jan Domhoff jr., telg uit een ander fameus Hollands kleermakersgeslacht. Tot na de Tweede Wereldoorlog waren er drie Domhoffs actief, een in Rotterdam, een in Den Haag en een in Amsterdam. De huidige Domhoff is de zoon van de Amsterdamse, en hij heeft zijn eigen werkwijze. Als 'Travelling Tailors' waar zijn zoon in meewerkt bezoeken zij de klanten aan huis en leveren een heel zorgvuldige maatconfectie, of maat forcé.

In Domhoffs opvatting heeft de machine een nauwkeurigheid van vormgeving bereikt waar het handwerk niet tegenop kan. “Kijk zo'n schouderinzet bijvoorbeeld” - en hij trekt er zijn jasje voor uit, op een tempo en met een nadruk die een vertegenwoordiger van de nieuwe stijl past -“dat is een van de moeilijkste opgaven van het kleermaken, want de ronding van de mouwaanzet moet zowat vijf centimeter groter zijn dan de ronding van de schouder van het jasje, en precies verdeeld worden over de omtrek van de cirkel; als je ziet hoe dat gedaan wordt ...” - hij slaat er met de rug van zijn hand op, om verdere woorden overbodig te maken. Zo zal het voortaan gaan, is zijn overtuiging, en daar is niets aan te betreuren. Hij noemt een bekend groot Nederlands bedrijf waarvan de president-directeur nog klant is van een maatkleermaker. “Het kan hem natuurlijk niet schelen wat het kost; maar de rest van de directie heb ik!”

Bij A.G. van der Steur, zesde en laatste generatie van een Haarlems kleermakersgeslacht, worden sinds enkele jaren geen pakken meer gemaakt. Hij heeft zijn winkel nog, maar besteedt zijn tijd voornamelijk aan zijn antiquariaat ernaast. In 1989 heeft hij een geschiedenis geschreven van zijn familiebedrijf, dat toen tweehonderd jaar bestond. Daar staan sprekende stukjes petite histoire van de Haarlemse bourgeoisie in, zoals de brief van G.A. van der Steur, grootvader van A.G., in augustus 1906 aan een klant die zijn geld voor een pak van juli 1905 terugverlangde. Het zou niet gaan, “om reden hetzelve bij mijn laatste bezoek ten Uwent werd goedgekeurd en U het vanaf dien tijd zijt gaan dragen hetgeen volkomen blijkt uit 1e de vuile kraag, 2e dat jas en vest onder de armen geheel is doorgetranspireerd en 3e dat de pantalon aan de golp geheel met urine is doortrokken.”

G.A. is op een foto in het boek afgebeeld in geklede jas, met zijn zoontje G.A. jr. in een matrozenpak. G.A. sr. ziet er indrukwekkend uit, maar A.G. wijst in een ondertekst genadeloos op de gebreken van de geklede jas: plooi in het voorpand, schouderlijn en onderkant van jas bobbelig.

A.G. heeft een eigen verhaal over een Japanner die in de jaren '80 van deze eeuw een pak volgens zijn hoogste eisen wilde laten maken in Nederland. Het lukte niet, en hij bracht een paar van zijn Japanse pakken mee om te laten zien wat hij verwachtte. “Helaas moet ik toegeven”, zei van der Steur tegen hem, “dat wij dat niet zo kunnen.”

Ook niet bij Aartsen of bij Spalton & Maas? De meesten van ons zullen het nooit uit eigen ervaring weten. Wel kunnen wij Rita Jansen opzoeken die in de Willemsstraat in Amsterdam jurken en toneelkostuums en desgewenst ook pakken maakt, als iemand zelf zijn stof brengt: dan kost het maar 350 gulden voor een jasje, 150 voor een broek. Zij is niet onder de indruk van de grote namen van het vak. “Er kwam een man bij mij met zo'n pak van achtendertighonderd gulden om te veranderen; je wist niet wat je zag als je het openmaakte: die mouwkop, hoe die er inzat, dat leek nergens op.”

Het interesseert Nederlanders ook niet, denkt zij: die kleden zich zonder zorg. “Als ik op de markt rondkijk denk ik, wat loopt daar nou allemaal.” Pakken maken is dus niet bepaald de moeite waard. “Ik heb ook geen zin in mensen die telkens dikker en magerder worden, dan blijf je aan het veranderen.”

Rita Jansen houdt zich voornamelijk bezig met werk waar Aartsen en Spalton & Maas niet aan zouden denken: voor winkelbedrijven en voor toneelopvoeringen, soms samen met een tweemansbedrijf onder de naam Prince Charming. Meer passend bij deze tijd, lijkt het. Maar ook zij heeft soms het gevoel dat het dat het binnenkort is afgelopen: “Mensen die op ongeregelde tijden voor je willen werken en vaak twintig keer hetzelfde moeten doen, zijn nauwelijks meer te vinden.” Misschien behoort ook zij tot de laatsten, totdat de machines zich het hele vakgebied hebben toegeëigend.