De koe: van de Watusi uit Ruanda tot oerhollands roodbont

Cattle Breeds, an Encyclopedia; tot 3/7 in de Kunsthal in Rotterdam. Boek, verkrijgbaar in de Kunsthal: ƒ 195,- en ƒ 249,- (Engelstalig)

ROTTERDAM, 14 JUNI. Kunst of wetenschap? De Rotterdamse kunstenaar Marleen Felius (1948) twijfelt hoe ze haar project het best kan typeren. Sinds vijfentwintig jaar wijdt zij zich aan het in kaart brengen van alle verschillende soorten rundvee, ingedeeld volgens een door haar zelf opgesteld ordeningsprincipe. Er zijn zo'n achthonderd runderrassen bekend en daarvan heeft Felius er inmiddels 720 vastgelegd in kleine, nauwkeurig uitgewerkte aquarellen. Van de zwaarlijvige Abdeen tot het tengere, op hinden lijkende Madura-vee, van de Watusi uit Ruanda tot het oerhollandse roodbont. Meestal schildert Felius zowel de koe als de stier, wat haar aquarellen op een totaal van ruim 1.300 brengt.

Op de tentoonstelling Cattle Breeds, an Encyclopedia in de Rotterdamse Kunsthal worden de aquarellen in een repeterende opstelling als kunstwerk gepresenteerd. Maar met het lijvige boekwerk dat Felius over de rundveerassen schreef, en waarin alle aquarellen zijn afgedrukt, begeeft ze zich nadrukkelijk op het terrein van de wetenschap.

Met dat overzicht wil Felius een discussie onder rundvee-kenners, genetici en biologen ontketenen. “Behalve de enorme verscheidenheid in de uiterlijke verschillen tussen de runderen, ben ik altijd gefascineerd geweest door hun geschiedenis en hun gebruik”, zegt Felius. “Stapels literatuur heb ik doorgewerkt, honderden aantekeningen heb ik gemaakt. Ik ben ze over de wereld achterna gereisd, van Pakistan tot Canada, en nu staan ze allemaal in dit boek.”

Daarnaast zocht Felius naar een sluitende classificatie voor de koeien en stieren die zij heeft geschilderd. Ze begon bij de geografie, onderzocht in welke landen de runderen voor welke doeleinden worden gebruikt en wat voor invloed dat heeft op de karakteristieken van de koeien en de stieren. Dat druist volgens Felius in tegen het ordeningspincipe van de officiële wetenschap, die de runderen op genetische gronden indeelt. “Wordt een koe gehouden voor het vlees, dan heeft dat zijn uitwerking op haar uiterlijk: het beest wordt vet en log. Zou men besluiten dezelfde koe voor de ploeg in te zetten, dan ontstaat er na een aantal generaties een ander soort rund.”

Op de Rotterdamse kunstacademie schilderde Felius ook al voornamelijk koeien. “Ik durfde dat nauwelijks te bekennen, bang dat ik geen ware kunst maakte of voor provinciaals werd uitgemaakt”, vertelt ze, “maar ik kon en wilde niet loskomen van die beesten. Ik denk dat ik van ze hou door de grootte en de kracht die ze uitstralen.”

In de Kunsthal hangen naast de kleine aquarellen ook grote doeken van Felius, waar - onvermijdelijk - koeien op staan afgebeeld. In tegenstelling tot de nauwkeurig uitgewerkte aquarellen zijn Felius' schilderijen expressief, grof opgezet en met het paletmes bewerkt. Zoals de Dikbilstier: een explosie van helle kleuren, mintgroen, fel oranje, turkoois en dieppaars. Vlotgepenseelde kleuren die even aan de late werken van Willem de Kooning doen denken. Bij Felius wordt de warboel van pasteuze verfstreken echter in toom gehouden door natuurgetrouwe zwarte contouren van de stier. Een paarse ronding geeft het achterste van het rund aan. “Ik heb een grote bewondering voor de Amerikaanse abstract-expressionisten, die heb ik altijd als voorbeeld gezien”, zegt Felius. “Maar ja, voorlopig blijven die koeien me nog achtervolgen”.