Zalm overweegt meer armslag beurswaakhond

DEN HAAG, 14 JUNI. Minister Zalm (financiën) overweegt de Stichting Toezicht Effectenverkeer, die namens hem toezicht houdt op de financiële markten, een eigen controlebureau te geven. Nu nog maakt de STE, bijvoorbeeld bij onderzoek naar misbruik van voorkennis, gebruik van het controlebureau van de Amsterdamse effectenbeurs zelf.

Dit bleek gisteravond tijdens een kamerdebat over de nieuwe Wet Toezicht Effectenverkeer (WTE), die is aangepast met het oog op Europese richtlijnen die de nationale effectenmarkten per 1 januari 1996 liberaliseren.

Zalm zei de afbakening van de taken en bevoegdheden tussen de STE en het controlebureau van de beurs te gaan bestuderen. Hij lijkt daarmee tegemoet te komen aan het verzoek van de STE een deel van de taken van het controlebureau bij haar onder te brengen. Volgens een STE-woordvoerster kan die overheveling variëren van bepaalde taken, zoals accountantsdiensten, tot een volledige overname van het bureau door de STE.

Het wegvallen van het controlebureau zou een verdere aantasting van de zelfregulerende functie van de Amsterdamse beurs tot gevolg hebben. En dat, terwijl de autonomie van de beurs met de nieuwe WTE toch al danig is ingeperkt. Volgens Zalm wordt het toezicht op de effectenhandel “versterkt”, nu de STE onder de nieuwe wet de instantie wordt die de vergunningen aan alle Nederlandse effecteninstellingen, waaronder beursleden, verleent en ook kan intrekken. Als gevolg daarvan kan de STE los van het controlebureau van de beurs een eigen onderzoek verrichten naar de deskundigheid en betrouwbaarheid van de bestuurders van effecteninstellingen.

Beursvoorzitter B.F. van Ittersum beklemtoonde recentelijk het verstrekken van vergunningen een taak van de beurs zelf te vinden. De nieuwe wet maakt de STE naast toezichthouder ook uitvoerder. “Dat betekent dat ze ook verantwoordelijkheid gaat dragen als het mis gaat”, merkte Van Ittersum op.

Zalm vindt deze discussie een “prestigezaak”. In de praktijk zal volgens hem eerst de beurs beoordelen of een effectenhuis daarvan lid kan worden, waarna de STE haar bevindingen toetst en vervolgens al dan niet een vergunning afgeeft. “Gelet op het uitoefenen van toezicht is het vergunningenstelsel een ideale taak voor de STE. De beurs behartigt als vereniging in eerste instantie de belangen van haar leden. Wij hebben een andere scope, bij ons staat het belang van de belegger voorop”, aldus Zalm.

In antwoord op kamervragen stelde Zalm dat er geen aanleiding is te veronderstellen dat fraude bij financiële instellingen een toenemend fenomeen is. Ondanks faillissementen van frauduleuze commissionairs, zoals Nusse Brink en Regio Effect, en een stijgend aantal aangiften van voorkenniszaken door de STE bij het openbaar ministerie acht de minister het bestaande instrumentarium om fraude te bestrijden toereikend. Niettemin komt hij tot de conclusie dat de “flexibiliteit van de Economische Controledienst beperkt is geworden”.

De onderzoekscapaciteit van de ECD met betrekking tot financiële wetgeving, zowel fraude- als bestuurlijk onderzoek, werd de afgelopen jaren uitgebreid van zeven naar zestien personen. Van hen houden zich twee à drie exclusief bezig met voorkennis. Volgens Zalm moet de zich ontwikkelende jurisprudentie uitwijzen of deze capaciteit op termijn voldoende is. Verder wil hij ook de lopende onderhandelingen tussen het controlebureau van de beurs, de STE en de ECD afwachten. Zij willen door in een eerder stadium samen te werken de duur van onderzoek naar voorkennis sterk reduceren.