Werkgevers dik tevreden over resultaten van Cao-overleg

DEN HAAG, 14 JUNI. Werkgevers en vakbonden hebben de afgelopen maanden tijdens het CAO-overleg flinke vooruitgang geboekt op het gebied van arbeidsduur, arbeidspatronen en flexibiliteit. Ook de loonontwikkeling is binnen de perken gebleven. Dat constateert de werkgeversorganisatie VNO-NCW in de vanmorgen gepresenteerde evaluatie over het CAO-seizoen 1994-1995. “De belangrijkste observatie is dat 1995 werkelijk het jaar is geworden van het maatwerk”, stelde vice-voorzitter J. Blankert vanmorgen tevreden vast.

Vooral de afgesloten akkoorden bij de banken (110.000 werknemers) en Akzo Nobel Nederland (19.000 werknemers) zijn hiervan voor de werkgeversorganisatie goede voorbeelden. “Het interessante is dat er wordt doorgedecentraliseerd en beslissingen over arbeidspatronen en arbeidsduur dichter bij de werkvloer komen te liggen”, aldus Blankert.

In ruil voor bijvoorbeeld arbeidsduurverkorting hebben de vakbonden dit jaar gematigde looneisen gesteld. De loonmutatie in 1995 zal volgens VNO-NCW uitkomen op 1,6 procent. Daarbij zijn ook de vorig jaar afgesloten twee-jarige CAO-akkoorden in de berekening opgenomen. Met 1,6 procent ligt de gemiddelde loonstijging iets boven het niveau van 1994 (1,2 procent), maar onder het geraamde inflatieniveau van 2 procent. VNO-NCW wijst er op dat in 1992 en 1993 de loonmutaties respectievelijk nog 4,43 en 3,2 procent bedroegen. “De conclusie kan luiden dat de loonontwikkeling in de CAO's 1995 in lijn is met de Nieuwe Koers”, aldus Blankert. Onder de naam Nieuwe Koers sloten werkgevers en werknemers eind 1993 een akkoord in de Stichting van de Arbeid, waarbij loonmatiging in ruil voor werk voorop stond.

De werkgeversorganisatie maakt wel enige kanttekeningen bij de geringe loonstijging van 1,6 procent. Zo hebben deze cijfers alleen betrekking op bruto-loonafspraken per werknemer per CAO. “De totale loonkostenontwikkeling van CAO's voor de ondernemingen hangt van meer af, zoals van afspraken over arbeidsduur, VUT, werkgelegenheid en andere elementen uit de akkoorden”.

Bovendien blijft Nederland volgens VNO-NCW, ondanks de gematigde loonontwikkeling, in vergelijking met andere Europese lidstaten nog steeds te duur. De werkgeversorganisatie schat de loonkosten per uur in de Nederlandse industrie op circa 40 gulden, tegen 33 gulden in de rest van de Europese Unie. Dat verschil is volgens de werkgeversorganisatie vooral ontstaan in de periode 1992-1993. In de evaluatie wordt erkend dat de loonkosten afgezet moet worden tegen de arbeidsproduktiviteit, die in Nederland op een hoog niveau ligt. De groei van de arbeidsproduktiviteit is volgens VNO-NCW echter niet voldoende om Nederland op het gewenste concurrerende niveau te houden.

Hoewel de werkgeversorganisatie zich tevreden toont over het grotere accent op maatwerk en over de snelle afbouw van de VUT, betreurt men het feit dat in verschillende sectoren nog steeds “achterhoedegevechten” plaatsvinden over het systeem van automatische prijscompensatie. De komende jaren moet volgens VNO-NCW veel meer dan nu ingezet worden op flexibele beloningsvormen, waardoor de loonkosten kunnen “meeademen” met de bedrijfsresultaten. Ook de verdere flexibilisering van arbeidspatronen moet “boven aan de agenda blijven staan”. Toeslagen voor werk op 'inconveniënte' uren moeten volgens Blankert zo snel mogelijk tot het verleden gaan behoren.