Referendum is eenmalige oprisping van burgerzin

Na de verloren referenda in Amsterdam en Rotterdam likken de bestuurders en de politici hun wonden. Hoe nu verder? Volgens Mark Kranenburg hebben de recente voorbeelden in elk geval geleerd dat een simpele volksraadpleging afbreuk doet aan de bredere politieke verantwoordelijkheid.

De kiezers worden bedankt. De intonatie waarmee deze zin wordt uitgesproken, verraadt de werkelijke betekenis ervan. De kiezers worden bedankt, blaften Rotterdamse stadsbestuurders vorige week na het referendum over de opdeling van de stad waarbij ruim 86 procent van de stemmers zich uitsprak tegen die plannen. Jarenlang hadden beleidsmakers en politici zich in alle rust aan bestuurlijke herindeling van stad en omgeving kunnen wijden. De gemeenteraad zei eerder dit jaar met 35 van de 45 stemmen 'ja'. Toen kwamen vorige week de burgers. En die zeiden massaal 'nee'. Een ambitieuze droom was op rigoureuze wijze verstoord.

De kiezers worden bedankt, kraaide dit weekeinde PvdA-voorzitter Rottenberg in zijn eigen wekelijkse Vlugschrift aan partijgenoten. Het referendum kan politieke partijen ontregelen en dat is maar goed ook, vindt hij. “Als bestuurlijke ideeën en processen niet in samenspraak met burgers en hun organisaties worden uitgewerkt, kan veelbelovende vernieuwing worden verstoord en moet er opnieuw worden begonnen”, aldus Rottenberg. Hij noemde het daarom een “prettige gedachte” dat er de dreiging is van een referendum “als een inspectiedienst van de burgerij”.

Nog niet eens formeel ingevoerd heeft het referendum zijn schaduw nu reeds twee keer binnen een maand vooruit geworpen. Eerst Amsterdam, daarna Rotterdam. De verslagen bestuurder mokt, de partijvoorzitter als producent van het 'interessante debat' juicht. Ondertussen heeft begeerte het volk aangeraakt. Ook in de gemeente Den Haag gaan stemmen om een referendum over de voorgenomen vorming van een stadsprovincie te houden. Leve de wil van de mondige burger dan maar?

Opvallend is met hoeveel gemak zowel na het referendum in Amsterdam als na dat in Rotterdam werd verkondigd dat hiermee de arrogantie van het bestuur was afgestraft. Ook voor het referendum geldt blijkbaar dat de kiezer altijd gelijk heeft. Nu is het beweren van het tegendeel, zeker door de politicus die net een gevoelige nederlaag heeft geleden, een uiterst hachelijke zaak. Maar wat moet de kiezer denken van de politici die eerst hun bestuurlijke verniewingsplannen in rook zagen opgaan, en vervolgens roepen dat het referendum bewezen heeft zo'n nuttig instrument te zijn? Dat is niet meer sportief verliezen, maar puur masochisme.

Of overlevingsinstinct, want het blijft tekenend dat tot nu toe alleen de Rotterdamse wethouder Kombrink persoonlijke consequenties heeft getrokken uit de massale afkeuring van het beleid. Hij zal zich terecht niet meer met regiovorming bezighouden. Een soortgelijk geluid uit Amsterdam is echter nog niet vernomen. De wethouder die per referendum een diametraal andere opvatting van het volk kreeg voorgeschoteld, gaat gewoon door, alleen met straks een aangepast plan. Het vergt allereerst een elastische geest van de persoon zelf. Maar met hoeveel overtuigingskracht kan zo iemand eigenlijk een alternatief presenteren waarin rekening is gehouden met de bezwaren van de nee-stemmers?

Of de burgers in Amsterdam of Rotterdam gelijk hadden, in hun afwijzing van het voorstel om beide steden op te delen, doet niet ter zake. Dat de plannen niet goed zijn uitgelegd is evident, maar had een abstract voornemen als bestuurlijke herindeling ooit goed kunnen worden uitgelegd?

Die vraag is opmerkelijk weinig gesteld. Politiek is er niet voor om mensen gelukkig te maken. De bestuurder die geen 'leuke dingen' voor de mensen in de aanbieding heeft - een schaars goed tegenwoordig - staat bij voorbaat op achterstand. Altijd is er de dijk van ingebakken achterdocht die moet worden overwonnen. Wat voor argumenten moet een serieus politicus stellen tegenover het 'stem tegen, want ze verkopen Rotterdam achter je reet' van Jules Deelder?

Beide referenda hebben duidelijk gemaakt dat er voor de opdeling van Rotterdam en Amsterdam weinig steun bestaat, maar nog duidelijker dat over niet alles een referendum valt te houden. Niet voor niets heeft het kabinet zichzelf extra tijd verschaft om te praten over het voorstel om een correctief referendum (een volksraadpleging op het moment dat alle 'normale' besluitvormingsprocedures zijn doorlopen) in te voeren. De recente ervaringen in Amsterdam en Rotterdam hebben de animo in elk geval bij de PvdA en de VVD flink verminderd. Want valt Nederland nog wel te regeren met een referendum als permanente noodrem op de achtergrond?

Volgens de founding father van D66, vice-premier Van Mierlo, is een dergelijk gevaar niet aanwezig. De komst van een asielzoekerscentrum in een stad dan wel de aanleg van de Betuwelijn, Van Mierlo zou het geen probleem vinden als deze onderwerpen middels een referendum aan de bevolking werden voorgelegd zo erkende hij vorige week tegenover het RTL-nieuws.

Dat kan nog interessant worden. Zouden Nederlandse steden eigenlijk wel asielzoekerscentra kennen, als over de komst ervan per referendum had kunnen worden beslist? Het voorbeeld van Van Mierlo is omineus. Geen plan voor een asielzoekerscentrum of er wordt ook een bijeenkomst van verontruste buurtbewoners gehouden. Nooit zijn ze tegen 'de' asielzoekers. De kritiek behelst altijd de plaats - namelijk in hun wijk - waar ze gehuisvest moeten worden. Maar bij een referendum waar het slechts gaat om het simpele ja of nee doet die politiek correcte nuance niet ter zake.

De denkfout die de voorstanders van het referendum maken is dat bestuurders dankzij dit middel gedwongen worden contact met de 'gewone' burger te blijven houden. Natuurlijk is dat een nobel streven, maar tevens wordt de politicus daarmee wel een uitermate beperkte taak toegedicht. Want behalve luisteren, moet hij ook vooruit denken en een afweging maken tussen verschillende belangen, om daarna een keuze overtuigend aan de kiezer uit te dragen. Niks ivoren torens waarin politici zich hebben opgesloten, zoals PvdA-voorzitter Rottenberg stelt, maar uitkijktorens van waaruit zij en ook alleen zij, het hele veld kunnen overzien. Deelt de kiezer hun keuze niet, dan zijn er altijd weer verkiezingen. Op dat moment kan de kiezer zijn eigen, bredere politieke afweging maken.

Het aantrekkelijke van een referendum is zonder meer dat er iets van een maatschappelijk debat onstaat. Zonder referendum zou de herindeling van Rotterdam en Amsterdam geruisloos zijn ingevoerd. Dat kan nu niet worden gezegd. Maar is een referendum nu echt het enige middel om politici ertoe te bewegen zich met de kiezers te verstaan? Contact onderhouden en debat organiseren kan immers altijd. Bij een meer open instelling van politici, minder 'regeerakkoord-denken' dus, zou al heel wat zijn gewonnen.

Rottenberg heeft gelijk; de dreiging van een referendum houdt de politicus scherp. Maar het referendum is geen afschrikkingswapen dat slechts om tactische redenen bestaat. Het is een instrument dat te pas en te onpas kan worden gebruikt zodra er voldoende handtekeningen zijn verzameld. Rotterdam en Amsterdam hebben bewezen dat kiezers zelfs voor een taai onderwerp als bestuurlijke herindeling zijn te porren. Een gewoon referendum of een correctief referendum, het maakt allemaal weinig uit. Het onderscheid dat er tussen deze twee vormen wordt gemaakt doet kunstmatig aan. Ook in het geval van een correctief referendum, waren de opdelingsplannen voor Amsterdam en Rotterdam ongetwijfeld verworpen.

Het invoeren van een referendum vergt een principiële keuze. De burger dichter bij het bestuur, het klinkt allemaal heel aantrekkelijk. Maar voorlopig hebben de Nederlandse referendum-voorbeelden vooral burgers te zien gegeven die dwars door het bestuur heen lopen om zich vervolgens niet meer te bekommeren over de gevolgen. Dan ligt alle verantwoordelijkheid opeens weer bij de terechtgewezen politici. Het is de eenmalige oprisping versus de langdurige verantwoordelijkheid. Referendum is een feest. Maar sinds wanneer dient democratie een feest te zijn?