Pseudoniem

Voor het eerst sinds weken zitten we weer eens met ons vieren, de vertrouwde opstelling, aan tafel.

“Als ik een roman schrijf”, begint Daan, “zal ik me dan gewoon Daan van Zomeren noemen?”

Daar heb ik wel een antwoord op. Als ik op mijn twintigste had geweten wat ik nu weet, had ik voor verschillende activiteiten verschillende namen aangenomen, niet om interessant of geheimzinnig te doen, maar om dingen duidelijk van elkaar te scheiden, ongeveer zoals Hofland en Montag.

Bovendien: met die Z van ons zit je helemaal niet lekker in het alfabet. Altijd achteraan, onderin. In de boekhandel moeten de mensen bijna languit op hun buik om een Van Zomeren uit de kast te halen.

“Twee Van Zomerens lijkt me knap verwarrend”, zeg ik resumerend. “Maar als jij van mijn reputatie wilt profiteren, kan ik dat natuurlijk niet verbieden.”

“Hm”, zegt Daan. “Ik denk dat ik me Daan 't Hart ga noemen.”

Nu duurt het even voor het gesprek wordt hervat. Vervolgens, met een blik op Iris, stel ik voor om 'Ekkers' te nemen. “Dat doen wel meer schrijvers. Ze gebruiken de naam van hun moeder, hun grootvader.”

En dan is het Jan die zegt: “Maar dat is een fantastisch idee Daan. Jij schrijft een roman en je noemt je Opa Ekkers.”