Prestatiebeurs blijft een prima vondst; Met de prestatiebeurs was het mogelijk een miljard te bezuinigen; De aandacht voor de 'studeerbaarheid' is enorm toegenomen

Vorige week blokkeerde de Eerste Kamer op het nippertje de invoering van de prestatiebeurs in het studiejaar 1995-1996. Voor dat besluit kan men natuurlijk begrip hebben: de achtergrond van de prestatiebeurs lag in bezuinigingen. Maar de formule van de prestatiebeurs maakte het wel mogelijk dat beurzen en aanvullende beurzen (voor lagere inkomens) verder ongemoeid worden gelaten, voor het eerst sinds de invoering van 1986.

Zeker, de prestatiebeurs verkort de tijd waarin recht bestaat op (aanvullende) beurzen van vijf naar vier jaar. Geen makkelijke keuze, maar wel te verdedigen in het licht van de altijd nog betrekkelijk comfortabele positie van afgestudeerden aan de universiteit of in het hoger beroepsonderwijs. En zeker, de invoeringstermijn was krap gekozen en er was een risico dat meer uitvoeringsfouten waren ontstaan. Of minister Ritzens garantie aan de Tweede Kamer, dat snelle invoering verantwoord was, inderdaad terecht was gegeven, zullen we nu nooit weten.

Door alle discussies rond de stemming in de Eerste Kamer en de financiële gevolgen daarvan, raakt het zicht op de kern van de prestatiebeurs verloren. Aangezien minister Ritzen en de regeringsfracties in de Tweede Kamer hebben aangekondigd de prestatiebeurs volgend jaar alsnog te willen invoeren, is er aanleiding toch nog eens de voordelen van het systeem op een rijtje te zetten, ook in het licht van de alternatieven.

Zoals gezegd, de prestatiebeurs is uit nood geboren. De nood namelijk dat de overheidsfinanciën niet op orde waren en dat concreet moest worden aangegeven waar nieuwe bezuinigingen zouden neerslaan. In dat licht kwam vorige zomer, tijdens de gesprekken over het regeerakkoord, het voorstel op tafel om één miljard te bezuinigen op studiefinanciering. Dat voorstel, het eerst te vinden in de proeve van een regeerakkoord van (de toenmalige) informateur Kok, bleek hardnekkig, ook al omdat er moeilijk alternatieven te bedenken waren, binnen of buiten het hoger onderwijs (basis-, voortgezet- en middelbaar beroepsonderwijs zijn ongemoeid gelaten!). Met de prestatiebeurs was het mogelijk een miljard te bezuinigen en toch basisbeurs en aanvullende beurzen ongemoeid te laten. De kortingen op de basisbeurs (in september de laatste) zijn dan ook niet het gevolg van de prestatiebeurs of van het miljard, maar van de doorwerking van het vorige kabinet.

Anderen stellen wel voor om de basisbeurs af te schaffen en te kiezen voor een volledig leenstelsel (PvdA), of juist om de aanvullende beurs voor studenten met 'arme' ouders, te schrappen (VVD). Maar de bestaande opbouw van de studiefinanciering, waarin zowel zelfstandigheid (basisbeurs) als eigen verantwoordelijkheid (bijverdienen of lenen met aflossing en kwijtschelding naar draagkracht) van studenten, als het ouderlijk inkomen (aanvullende beurzen) worden betrokken, is zo gek nog niet.

Natuurlijk kan men afdingen op de precieze verhoudingen, maar het stelsel geeft uitdrukking aan de verschillende invalshoeken die voor studiefinanciering nu eenmaal gelden. Bovendien zijn de alternatieven minder aantrekkelijk, of het nu gaat om het giftenstelsel met academici-belasting van de studentenvakbond (hogere uitgaven nu, hogere belastingen later) of om het leenstelsel van de PvdA (drastische nivellering). Met andere woorden: de prestatiebeurs maakt het mogelijk het stelsel door de overeengekomen bezuinigingen heen te loodsen zonder dat voor het ene of andere onaantrekkelijke alternatief moet worden gekozen.

Maar de prestatiebeurs heeft ook eigen voordelen. Het beginsel, dat voor de giften die de samenleving aan studenten verstrekt een tegenprestatie wordt verlangd, is inmiddels wel aanvaard na de invoering van de tempobeurs, enige jaren terug. Het enige verschil tussen tempo- en prestatiebeurs is dat de prestatiebeurs uitgaat van een beloning na gebleken resultaten (de aanvankelijke lening wordt omgezet in een gift), terwijl de tempobeurs straft na het uitblijven daarvan (de aanvankelijke gift wordt omgezet in een lening).

Een tweede voordeel van de prestatiebeurs ligt in een grotere vrijheid voor studenten na de propedeuse en een zekere flexibiliteit in de norm. Na het eerste jaar wordt niet telkens het resultaat gemeten, er wordt pas bij het behalen van het diploma (uiterlijk na zes jaar) afgerekend. Natuurlijk, een jaarlijkse meting van de studiepunten, zoals thans, geeft wat meer 'schools' houvast. Maar juist aan de universiteit en in het hoger beroepsonderwijs mag van studenten zelfstandigheid en discipline, en inzicht in de gevolgen van het eigen handelen worden verwacht. Wie zijn studietempo wil variëren (bijvoorbeeld voor een bestuurslidmaatschap) kan zelf beslissen hoe verantwoord dat is, in het licht van de gevolgen voor de studiebeurs. Daarmee is het ook een flexibel systeem.

Met de prestatiebeurs zou bovendien voor het eerst uitdrukking worden gegeven aan de gedachte dat studenten, die eenmaal hun studie zijn begonnen, niet keer op keer met bezuinigingen geconfronteerd moeten worden (de cohortgedachte). Vandaar dat de prestatiebeurs alleen gericht zou zijn op nieuwe studenten.

En er is nog iets. Als gevolg van de intensieve discussie over de prestatiebeurs is de aandacht voor de 'studeerbaarheid' van het hoger onderwijs enorm toegenomen. Onder studeerbaarheid verstaat men een reële haalbaarheid van studieprogramma's binnen de nominale studieduur (vier jaar, vijf jaar voor technische studies), maar ook praktische zaken als een goede planning van tentamens zonder overlap tussen faculteiten. Dat dit nodig is, is van een dusdanige evidentie dat men zich verwonderd afvraagt waarom het niet eerder is bedacht en waarom universiteiten en hogescholen er nog steeds zoveel moeite mee hebben.

Maar dat neemt niet weg dat juist nu, nu van studenten verwacht wordt dat zij op een reële manier hun studie plannen, minister en studenten samen met de universiteiten en hogescholen onderhandelen over de studeerbaarheid. En niet om niets. Want voor de bevordering van een goede organisatie en afstemming van studies is liefst 500 miljoen gulden extra beschikbaar. En zou onverhoopt onvoldoende resultaat worden geboekt, dan zien Kamer en minister af van verhoging van het collegegeld en van verhoging van de prestatienorm voor het eerste studiejaar. De gevolgen zijn dan voor de instellingen.

Bij alle kritiek die men kan hebben op de bezuinigingen is het daarom toch de moeite waard om de voordelen van de prestatiebeurs niet uit het oog te verliezen. Niet alleen omdat de prestatiebeurs op zich het verdedigen waard is, maar ook omdat de alternatieven slechter zijn.