Portugals economie: niet ver van oude armoede is de autofabriek

In de landstreek Alentejo kregen werkloze dagloners vorig jaar voedselpakketten. Dicht bij de Portugese hoofdstad is de produktie begonnen bij AutoEuropa, een splinternieuwe fabriekscomplex van Volkswagen en Ford. De twee uitersten zijn typerend hoe Portugal zich de afgelopen tien jaar economisch heeft ontplooid. Premier Cavaco Silva die tien jaar leiding gaf aan dit proces, erkent echter dat 'we het concurrentievermogen van de economie niet voldoende hebben weten te versterken.

In de Alentejo, het Portugese binnenland met zijn glooiende landschap ten zuiden van lissabon, lijkt de tijd stil te hebben gestaan. De boeren verplaatsen zich met gemotoriseerde driewielers op de smalle wegen tussen de wonderschone bossen en uitgestrekte landerijen. Zigeunerfamilies, met hun dieprood gebruinde gezichten, trekken er nog steeds rond met paard en wagen. Portugal schaamt zich voor de Alentejo, een streek met ongeveer de oppervlakte van Nederland en slechts een half miljoen inwoners. Vorig jaar moest het Rode Kruis in het stadje Serpa, hemelsbreed nog geen honderd kilometer ten noorden van de toeristische Algarve-stranden, voedselrantsoenen uitdelen aan enkele honderden gezinnen. Het betrof families van werkloze dagloners, die door de droogte en de afnemende landbouwproduktie al maanden zonder inkomen zaten.

Ook dit jaar kunnen hier, aan de periferie van Europa, Afrikaanse taferelen worden verwacht. “De situatie is sinds vorig jaar alleen maar slechter geworden”, meent burgemeester Abílio Fernandes van de eeuwenoude universiteitsstad Évora, het bestuurlijke centrum in het gebied. “Dit is nu in het vierde jaar van de droogte. We hebben geen water meer en bovendien is de werkloosheid groot, een hopeloze situatie.”

Sinds het zich tien jaar geleden aansloot bij de Europese Gemeenschap zijn Portugal en Spanje de paradepaardjes van geslaagd Europees ontwikkelingsbeleid. Met behulp van de Euromiljarden werden wegen gebouwd, telefoonlijnen aangelegd, dorpen opgeknapt en stuwmeren gebouwd. Maar het onvermijdelijke dringt zich op: in de open Europese markt heeft Portugal zo zijn problemen om de concurrentie bij te benen. De verouderde, kleinschalige landbouw en veeteelt heeft het moeten ontgelden. Volgens recent gepubliceerde cijfers van het Portugese bureau voor statistiek verdwenen er de afgelopen vijf jaar meer dan honderdduizend boeren, twintig procent van het totaal. In totaal raakte bijna 1600 vierkante kilometer (een groter oppervlak dan dat van de provincie Utrecht) aan landbouwgrond in onbruik.

De Alentejo is een voorbeeld van een streek in Portugal waar de traditionele landbouw - in dit geval graan, druiven, olijven en kurk - onder druk staat. Afgezien van de kurk, waar Portugal wereldwijd een leidende positie inneemt, vindt een grondige sanering van de landbouw plaats. “Met behulp van de Europese regelingen worden bepaalde produkten teruggedrongen. Er zijn regelingen voor kappen van gewassen, om het land braak te laten liggen en de veestapel te verkleinen”, constateert burgemeester Fernandes droevig. “De eigenaren van de Latifundíos, de grootgrondbezitters, leven nu van de Europese subsidies om vooral niets te produceren! Dat druist rechtstreeks in tegen het belang van de regio.”

Aan de andere kant wordt met Europees beleid getracht de streek in leven te houden. De hoop is vooral gevestigd op de bouw van een kolossaal stuwmeer in de rivier Alentejo, een project van drie miljard gulden dat met behulp van de Europese Unie zal worden gefinancierd. Bij het stadje Alqueva zal een reservoir worden gebouwd dat tot de grootste van Europa zal behoren: 250 vierkante kilometer, met ruim vier miljard kubieke meter water. Dat brengt nieuwe mogelijkheden voor de landbouw, maar de bewoners van de Alentejo vrezen dat de werkzaamheden op zijn vroegst over een kleine twintig jaar zijn voltooid.

Intussen ontbreekt het volgens burgemeester Fernandes aan een duidelijk beleid van de zijde van de conservatieve regering van premier Cavaco Silva om bedrijven over te halen zich in de Alentejo te vestigen. Sterker nog: er is een zekere tegenwerking die wellicht iets te maken heeft met het feit dat veel steden en dorpen net als Évora in communistische handen zijn. Hier, in zijn werkkamer op het stadhuis, herinnert alleen een Russisich schaakspel aan de banden met de voormalige Sovjet-Unie. Maar in veel zaaltjes van de lokale partijkader prijken de portretten van Marx en Lenin nog aan de wand. De bezoeker moet overigens geen overhaaste conclusie moet trekken, haast burgemeester Fernandes zich te verklaren. “Wij zijn communisten die open staan voor alle privé-initiatief. Wie zich in onze regio vestigt kan op onze volle medewerking rekenen.”

Wat men in de Alentejo ook moge denken, de regering in Lissabon zit niet stil bij het aantrekken van nieuwe bedrijven. Paradepaardje is het eind april geopende fabriekscomplex van AutoEuropa, een joint venture van Volkswagen en Ford. In de gemeente Palmela, in de kustregio tussen Lissabon en de iets zuidelijker gelegen havenplaats Setúbal, verrijst het gloednieuwe produktiecomplex. Vanuit de ramen van zijn werkkamer ziet directeur Karel Willaert, auto-ingenieur van Zeeuwsvlaamse komaf, de eerste exemplaren van de Ford Galaxy en de Volkswagen Sharan op de testbaan rijden. “We hebben alle medewerking gekregen van de Portugezen”, zegt hij tevreden.

In de fabriek worden de vrijwel identieke modellen voor Ford en Volkswagen geproduceerd, later zal ook de variant Seat Alahambra van de band rollen. Het model - type Renault Espace - werd ontwikkeld door Volkswagen, Ford zette de produktielijn op. De auto's zullen waarschijnlijk deze zomer op de markt komen. AutoEuropa produceert de auto's, de verkoop vindt vervolgens plaats door beide moederbedrijven.

In de uitgestrekte produktiehallen vallen lasrobotten en spuitstraten op - geen speerpunttechnolgie, maar wel betrouwbaar en volgens de laatste stand van zaken, onderstreept Willaert. De directeur toont zich enthousiast over de wijze waarop Portugal zijn fabriek binnenhaalde. “We hadden nogal wat opties, zoals Spanje en het Oostblok. Maar de infrastructuur, de verschillende subsidies en het stuk land van 200 hectare dat we hier konden krijgen, gaf de doorslag.” Bovendien ligt Palmela midden in een gebied met ongeveer 2,5 miljoen inwoners: een kritische graad van bevolkingsdichtheid om geschoolde werkkrachten binnen te halen.

De lokale autoriteiten - gemeentes, ontwikkelingsorganen - richtten samen met AutoEuropa een speciaal regio-overleg op dat snel moest zorgen voor de afwikkeling van al het papier- en vergunningenwerk. Dat liep zo soepel, dat de produktie inmiddels begonnen is hoewel de eindvergunning nog niet rond is. Portugal heeft zich veel moeite getroost voor AutoEuropa en de verwachtingen zijn dan ook niet gering: de produktie van het 'Portugese model' moet 180.000 auto's per jaar gaan bedragen, voornamelijk bestemd voor de export naar de rest van Europa. Het nieuwe exportprodukt zal naar verwachting al snel vijftien procent van de totale Portugese export gaan uiitmaken. Uiteraard betekent AutoEuropa een belangrijke versteviging van de werkgelegenheid in de Portugese autosector, die juist met de voorgenomen sluiting van Renault-fabrieken in Setúbal een tegenslag te verwerken kreeg. Bij AutoEuropa werken 3000 mensen en nog eens 1500 arbeidsplaatsen ontstaan bij lokale toeleveranciers. Niet verwonderlijk is dan ook dat Portugal rijkelijk over de brug kwam met subsidies. Van de totaalinvestering van ongeveer 4 miljard gulden werd volgens Willaert zo'n 800 miljoen door de regering gefourneerd.

Het probleem van Portugal is volgens Willaert dat het land nog steeds voor het grootste deel georiënteerd is op de landbouw. Een industriële traditie ontbreekt. Bovendien blijkt de technische kennis beperkt. “Pas toen ik hier kwam begreep ik dat met MTS/HTS niveau hier min of meer ontbreekt. In de jaren zeventig vond men dat iedereen moest studeren. Het gevolg is dat er ingenieurs genoeg zijn, maar het uitvoeringsniveau nagenoeg ontbreekt”, zegt hij. Met een eigen opleidingschool, met apparatuur waar 'menige universiteit in Portugal zijn vingers bij af zou likken', hoopt Willaert het hiaat in de scholing op te vullen.

De nieuwe fabrieken van AutoEuropa en de landbouwproblemen in de Alentejo zijn de twee uitersten in de Portugese economie. Het pragmatische beleid van de centrum-rechtse premier Cavaco Silva en het parallel daaraan lopende lidmaatschap van de Europese Unie hebben Portugal ontegenzeggelijk veranderd. Het nationaal inkomen steeg de afgelopen tien jaar bijna 34 procent tegen 26,5 procent gemiddeld in de EU. De handel werd internationaler: tussen 1985 en 1992 steeg de Euro-export met 154 procent. De import uit EU-landen steeg echter sneller (208 procent), zodat het tekort op de handelsbalans in deze periode vervijfvoudigde.

In oktober van dit jaar worden nieuwe verkiezingen gehouden. Cavaco Silva is niet meer herkiesbaar. Verwacht wordt dat hij zich volgend jaar kandidaat zal stellen als opvolger van de socialistische president van Portugal, Mario Soares, die niet herkiesbaar is. Cavaco Silva laat bij zijn vertrek een land achter waarin de politieke verdeeldheid sterk is gegroeid. Er wordt getwijfeld of zijn opvolger, de huidige minister van defensie Fernando Nogueira, de regeringspartij PSD naar een nieuwe verkiezingsoverwinning kan leiden. De socialistische partij onder leiding van de Antonio Guterres lijkt sterk te profiteren van de schandalen waar de regeringspartij de afgelopen maanden in verwikkeld was, maar zal er waarschijnlijk niet in slagen een meerderheid in het parlement te behalen. Vorming van een coalitie-regering lijkt dus onvermijdelijk. Voor de economische politiek is de ruimte voor verandering klein. Verwacht wordt dat Portugal verder zal gaan met het privatiseren van staatsbedrijven en andere liberalisatiemaatregelen.

Alle economische successen van de afgelopen tien jaar ten spijt is het enthousiasme van veel Portugezen voor de Europese Unie enigszins verminderd. Debet hieraan is de crisis waar het land de afgelopen jaren plotseling mee te kampen kreeg. Na jaren van economische groei van vijf procent en meer was kromp de economie in 1993 met een procent. Vorig jaar was er weer sprake van een kleine groei, en de verwachtingen voor dit jaar voorzien in stijging tot 3,5 procent. Maar de werkloosheid, drie jaar geleden met 4,5 procent een van de laagste in Europa, is inmiddels gestegen tot boven de zeven procent.

Van nature geneigd tot enige somberheid - door buitenlanders vaak versleten voor melancholie - vrezen veel Portugezen dat een en ander er op wijst dat de concurrentiepositie van hun land op een aantal punten is verslechterd. Afgezien van de agrarische sector en de visserij, waar de EU saneringen oplegt, zijn er ook problemen in de traditioneel sterke, arbeidsintensieve industrieën als de kleding- en textielindustrie. Hoewel het minimum-inkomen rond de vijfhonderd gulden per maand schommelt, vreest Portugal de groeiende concurrentie van lage-lonen-landen.

Enkele maanden geleden moest Portugal zijn escudo met 3,5 procent devalueren nadat de Spaanse peseta in waarde was verminderd. Terwijl de peseta werd gedevalueerd na een massale aanval op de munt, stond de escudo op geen enkele manier onder druk. Juist het redelijk sterke monetaire beleid van de econoom Cavaco Silva - die volgens zijn tegenstanders een obsessief anti-inflatoir beleid voert - had de escudo een grote kredietwaardigheid gegeven. Al blijft de economische groei aan de lage kant (een procent dit jaar), met een sterk gedaalde inflatie (nu rond de 4,5 procent) en een overheidstekort dat in een jaar tijd werd teruggedrongen van tegen de acht procent naar rond de vijf procent presteert Portugal in een aantal opzichten beter dan Spanje.

Ondanks zijn standvastige politiek blijft de Portugese politiek voor een belangrijk deel gekoppeld aan die van Spanje, het land waar bijna een vijfde van de Portugese importen van afkomstig zijn en vijftien procent van alle export naar toe gaat. Portugal zal dan ook alleen de Europese monetaire unie toetreden indien Spanje dit ook doet.

Naar verwachting zal Portugal dit jaar de voorziene economische groei van tussen de 2,5 en 3,5 procent halen. De economie lijkt zich daarmee hersteld te hebben van de dip die enkele jaren terug inzette, maar het land bevindt zich niet langer in de Europese voorhoede. De uitdaging voor de nieuwe regering die Portugal in oktober zal krijgen, ligt dan ook in het oplossen van de belangrijkste kritiekpunten die het bedrijfleven aanvoert: de bestrijding van de hoge rente (korte termijnrente is nu ruim tien procent), versnelling van de privatiseringen en beter gerichte besteding van de Europese hulpgelden. Premier Cavaco Silva kaatste in een recent vraaggesprek de bal terug. “We hebben het concurrentievermogen van de economie niet voldoende weten te versterken”, zo constateerde de premier in een terugblik op zijn tienjarige regeerperiode. “Maar jammer genoeg kun je het bedrijfsleven niet per decreet omvormen.”