'Onze marine was verdreven, maar niet verslagen'

“Een kleine tien jaar nadat ik als adelborst bij de Marine was gekomen, brak de oorlog uit. In 1935 was ik officier geworden. Gedurende de oorlog heb ik op de O24 gevaren. Eerst als oudste officier - de tweede man aan boord - en sinds 1944 als commandant. De O24 was een van de drie toen nog betrekkelijk nieuwe onderzeeboten die in mei 1940 uit Nederland naar Engeland waren ontsnapt. We deden dienst op de Atlantische Oceaan en in de Middellandse zee. Daar heb ik menig spannend ogenblik beleefd totdat we in 1942 naar Indië vertrokken.”

Aan het woord is de voormalige luitenant ter zee der 1ste klasse en vroegere onderzeebootcommandant P.J.S. de Jong. Na zijn marineloopbaan van ruim twintig jaar was hij achtereenvolgens staatssecretaris van defensie (1959-1963), minister van defensie (1963-1967) en minister-president (1967-1971).

De Jong en de O24 hebben Nederlands-Indië niet bereikt. “We kwamen niet verder dan Ceylon”, zegt De Jong. “Eerst werd het gebied van Rangoon onze parochie om de vijand te ontmoeten.” Over Japanners memoreert hij dat zij, hoe er ook verder over hen wordt geoordeeld, in ieder geval “heel kundig” waren en “als leeuwen” wisten te vechten.

Op Ceylon was in maart 1942 het Nederlands marinehoofdkwartier gevestigd nadat Indië na een verpletterende nederlaag had moeten buigen voor de Japanse overmacht. Voorafgaand aan de nederlaag was er vooral op zee nog heel moedig gevochten. Volgens sommige krijgshistorici was de strijd echter al te driest en met veel te veel opoffering van personeel en materieel gevoerd. Daardoor raakte Nederlands-Indië bijna tachtig procent van zijn zeemacht kwijt. Zestienhonderd man waren gesneuveld, vierduizend marinemensen werden als krijgsgevangenen weggevoerd.

Na deze catastrofe, die zich in drie maanden had voltrokken, nam de marineleiding de wijk naar Ceylon. Het Nederlands-Indische burgerlijke bestuur (in ballingschap) kwam echter vijfduizend kilometer verderop te zitten: in Australië, in Melbourne, zonder dat er enig verkeer met Ceylon mogelijk was. De hele oorlog door zijn de nadelen van deze verwijdering blijven bestaan. Ceylon, waar admiraal C.E.L. Helfrich - die na zijn deplorabele aftocht tot bevelhebber van alle Nederlandse land-, lucht- en zeestrijdkrachten in de Oost (BSO) was benoemd - zijn sceptertje zwaaide, lag binnen de Britse invloedsfeer in de Pacific en Australië binnen de Amerikaanse. Had Helfrich met Lord Mountbatten, de opperbevelhebber van het Britse South East Asia Command te maken, zo had men in Australië te doen met de Amerikaanse vijfsterrengeneraal Douglas MacArthur die de South West Pacific Area - Australië, Nederlands-Indië zonder Sumatra en de Filippijnen tot Formosa toe - onder zijn bevel had.

Admiraal Mountbatten en generaal MacArthur hadden niet veel aan de Nederlandse marine. Niet alleen omdat de inschakeling van Nederlandse schepen 'too complicated' werd gevonden, maar ook omdat er van de Nederlandse koloniale zeemacht slechts enkele schamele resten waren overgebleven en de Nederlandse autoriteiten in Londen, Colombo en Melbourne die resten nog maar nauwelijks voor de geallieerde strijd tegen Japan wilden laten gebruiken.

“Onze marine was wel verdreven, maar niet verslagen”, heet het nogal stoer in K.W.L. Bezemers beschrijving van de Nederlandse marinegeschiedenis in de jaren 1940-1945. De reputatie van de marine bleef ongeschonden, meent Ph.M. Bosscher, de schrijver van De Koninklijke Marine in de Tweede Wereldoorlog (Franeker, 1990), omdat “zij het enige Nederlandse krijgsmachtdeel is geweest dat gedurende de hele oorlog een reële bijdrage heeft geleverd aan de bondgenootschappelijke strijd”.

Voorzover dit oordeel juist is, geldt het vermoedelijk alleen voor de onderzeebootdienst van de Koninklijke Marine en dan nog slechts voor de allereerste weken van de Pacific-oorlog. In het vervolg van de oorlog werd de rol van de Nederlandse onderzeeboten steeds minder en die van de Amerikaanse submarines groter. Net zoals de Duitse Kriegsmarine deed, voerde ook de US Navy een 'onbeperkte duikbootoorlog' en werd er jacht gemaakt op elk schip dat in het vizier kwam, zodat de Japanse koopvaardijvloot en de Japanse oorlogsvloot bijna tachtig procent van hun totale tonnage verloren.

Aan die strijd kwam de Koninklijke Marine nauwelijks te pas, zij het ook dat er voor haar nog een en ander te doen viel toen de Australische haven Fremantle in 1944 de operatiebasis van de Nederlandse onderzeeboten werd. Door geallieerde bevelhebbers werd de Nederlandse marinestaf praktisch nooit geconsulteerd of geïnformeerd. Zo kon de Amerikaan MacArthur op 22 april 1944 het eerste Nederlandse grondgebied, Hollandia, veroveren en vervolgens op de noordkust van Nieuw-Guinea een aantal dorpen en eilanden alsook de oliehaven Tarakan op Borneo, zonder dat er een enkel Nederlands oorlogsschip bij tegenwoordig was. “Tot schande van Nederland en de Koninklijke Marine” , aldus de marinehistoricus A.N. de Vos van Steenwijk. Extra pijnlijk was dat er op dat ogenblik drie Nederlandse oorlogsbodems in de Oost waren maar dat die, aldus De Vos van Steenwijk, op grote afstand oefeningen uitvoerden of deelnamen aan raids op Sabang, Soerabaja en Padang, die voor de oorlogvoering van ondergeschikt belang waren.

In het oorlogsverloop van 1944 en 1945 liet MacArthur, in afwijking van eerdere plannen, Nederlands-Indië voorlopig nog onbevrijd links liggen op zijn weg naar de Filippijnen. Hoe Nederlandse autoriteiten in Londen, Colombo en Brisbane daarop reageerden, is een verhaal apart. Aangenomen mag worden dat zij de Amerikanen met hun afkeer van koloniale verhoudingen liever zagen gaan dan komen en het wel mooi vonden dat MacArthur direct noordwaarts trok.

“We hebben de hele oorlog door overal hetzelfde handwerk beoefend van het proberen afsnijden van vijandelijke transportroutes”, zegt P.J.S. de Jong. “Bijzonder spectaculair was dat niet. Erg veel hadden we ook niet te doen. Zelfs de bevrijding heb ik gemist. We gingen toen net weer op patrouille en toen ik in Fremantle terugkwam waar de overwinning gevierd werd, was de hele stad al zo beschonken dat ik maar rustig ben gaan slapen.”