NY-Philharmonic slaagt erin een eigen gezicht te behouden

Concert: New York Philharmonic o.l.v. Kurt Masur. Programma: A. Webern: Im Sommerwind. S. Barber: Second essay for orchestra. D. Sjostakowitsj: Vijfde symfonie. Gehoord: 13/6 Concertgebouw Amsterdam.

Hoewel er in muziekkringen veel wordt geklaagd over de teloorgang van de individuele klankcultuur waardoor alle toporkesten ter wereld vrijwel hetzelfde zijn gaan klinken, bleek gisteravond in het Amsterdamse Concertgebouw het New York Philharmonic wel degelijk een 'eigen gezicht' te hebben behouden. Dit formidabele ensemble, tot een hechte eenheid gesmeed door Leonard Bernstein die het orkest bijna vijftig jaar lang dirigeerde, heeft een uiterste aan discipline waarmee het op het scherp van de snede speelt. In de extraverte klank, het enorme reservoir aan dynamische mogelijkheden en de royale mededeelzaamheid lijkt de aanwezigheid van de onvergetelijke 'Lenny' nog te bespeuren, terwijl de royale uitvergroting van relevante details wezenlijk Amerikaans schijnen te zijn.

Samen met de Duitse dirigent Kurt Masur, sinds 1991 chefdirigent van dit orkest, kwam het tot topprestaties waarbij in de duidelijkheid van de interpretaties niets werd overgelaten aan de toevallige opmerkzaamheid van het publiek. Eén moment vormde daarop een uitzondering: de inzet van Weberns Im Sommerwind die uit de stilte leek voort te komen, een fluisterende toon waarbij men pas na enige maten in de gaten kreeg dat het al was begonnen.

In dit wonderlijk kaleidoscopische werk, geschreven in een laat-romantisch idioom, werd elk facet belicht terwijl er een grote innerlijke logica ontstond. Dit is te danken aan de uiterst gelukkige relatie tussen het extravert musicerende orkest en Kurt Masur die een meester is in het scheppen van de juiste proporties. Masur is geen Kapellmeister die krampachtig de touwtjes in handen houdt, maar een muzikant die samen met het orkest muziek maakt. In de Vijfde symfonie van Sjostakowitsj leek hij de vele soli volledig aan de solisten over te laten, en zo ontstond de indruk dat het orkest in volledige vrijheid zat te spelen terwijl de dirigent met duidelijke gebaren de voorwaarden voor die vrijheid schiep. Grote indruk maakte het langzame deel, een Largo waarin het trage tempo niet gekozen leek, maar van binnenuit ontstond.

Bij de ovatie aan het slot van dit indrukwekkende concert deelde Masur vele 'credits' uit aan zijn musici, en na Beethovens Ouverture Coriolanus, als toegift gespeeld, wist Masur ook duidelijk te maken dat het nu echt afgelopen was: hij nam de concertmeester bij de hand en samen verdwenen zij de zaal uit.