Koninkrijk versmaad voor levenslange liefde

La Reine Margot. Regie: Patrice Chéreau. Met: Isabelle Adjani, Daniel Auteuil, Jean-Hugues Anglade. In: Amsterdam, Calypso; Den Haag, Babylon; Rotterdam, Corso.

Naar eigen zeggen heeft regisseur Patrice Chéreau 'tot iedere prijs' willen vermijden van zijn La Reine Margot, over Marguérite de Valois (1553-1615), een 'periodefilm' te maken. Klinkt dat al vreemd, nog vreemder is, dat hij desondanks hele straten in Bordeaux heeft laten ombouwen tot decors die het Parijs uit de zestiende eeuw moesten weerspiegelen. Bovendien heeft hij zijn kostuumontwerper, Moidele Bickel, volop werk bezorgd, al oogt de kleding van de hoge adel in zijn film eerder als een post-modern ratjetoe aan stijlen en lijkt geen uitrusting zich te storen aan de mode en technische mogelijkheden ten tijde van koning Charles IX.

Een periodefilm is La Reine Margot, een bewerking van Alexandre Dumas' roman, natuurlijk toch. Maar Chéreau had met zijn opmerking het louter 'buitenkantige' van het genre op het oog, het gebruikelijke plaatjesboek, dat ook nog een verhaaltje vertelt. Hij wilde niets minder dan het echte leven, het zweet, het gebrek aan hygiëne, de net zo goed als het gemene volk naar knoflook en stront stinkende edellieden. Hij wilde de vanzelfsprekendheid van het decor, alsof het om de Parijse straten van vandaag ging, die ook niet zo maar op speciale aandacht hoeven te rekenen. Dat is mooi: weinig is inderdaad storender dan het uitvoerig vertoon van rekwisieten en aankleding en het primaat van de vormgeving, alleen maar omdat die zoveel geld en moeite heeft gekost.

Chéreau's oplossing voor dat probleem is vindingrijk en houdt vast en zeker verband met zijn theater-achtergrond. Wat immers is jaloezieverwekkender voor de theaterregisseur dan de close-up? Beelden van gezichten en lichamen, van details - waarop de omgeving vaag en onscherp dan wel in het geheel niet te zien is? Dat is waaruit La Reine Margot grotendeels is opgebouwd: details en geen totalen. Bovendien is 'het ding' teruggedrongen ten behoeve van de mens; in Chéreau's beelden krioelt het voortdurend van de mensen, van de een zien we het been, van de ander een arm of een rug, van weer een ander het hoofd. Nooit zaten we zo dicht op een verleden tijdperk, we kunnen het bijna ruiken.

Tot iedere prijs, heeft Chéreau gezegd. Bij wijze van spreken, natuurlijk, maar die prijs is er - in de vorm van overzicht. Uiteraard ontbreekt dat aan het begin zoals bij iedere film die niet voor kleuters is gemaakt - maar het blijft ontbreken. Ternauwernood begrijpen we, en meestal pas achteraf, wie met wie vecht of praat of overspel pleegt of zelfs trouwt. Ik overdrijf, maar de kern van de overdrijving is waar. En niet alleen is de visuele informatie verwarrend, ook het verhaal dat toch zo nauw samenhangt met thematiek en met de emoties - op het doek en in de zaal - blijft veel te lang schimmig.

La Reine Margot heeft last van zo te zeggen tegengestelde ambities. Visueel verkiest Chéreau het detail, verhaaltechnisch ontbreekt dat juist en verdrinkt de noodzakelijke informatie in het grootse, meeslepende gebaar dat zijn film wil zijn. Daarmee geeft hij ongetwijfeld een tijdsbeeld weer, maar als niet hij daaruit kiest, wie doet het dan? De toeschouwer, ten koste van identificatie-mogelijkheden en met irritatie als gevolg. Wie is die titelheldin nu precies en hoe verhoudt ze zich tot wie? Veel te laat en te terloops wordt duidelijk, dat de historisch niet zo erg belangrijke Marguérite, van katholieken huize en omwille van 's lands vrede uitgehuwelijkt aan de protestantse Henri de Navarre, verliefd raakt op een aan de slachtpartij van de St. Bartholomeusnacht ontsnapte protestant, met wie zij, met veronachtzaming van haar koninklijke plichten en rechten, de rest van haar leven zal delen.

Dat is in één zin het verhaal, dat in het scenario van Danièle Thompson en Chéreau zelf, uitdijt tot een bijna onontwarbaar geheel van plot en nevenplot, hoofdpersonages en pseudo-hoofdpersonages, van zijpaden en stoorzenders. Het lulligste dat men kan zeggen is: de titel klopt niet. Maar zo is het, zo simpel is de leidraad die Chéreau voor zichzelf had moeten spannen. Zijn Margot (een deze keer gelukkig ingehouden spelende Isabelle Adjani) had een madame Bovary moeten zijn, plus omgeving. Dat wil zeggen, een middelpunt, van alle machten en krachten die de film kennelijk moest bevatten. Het ligt zelfs nog eenvoudiger, Chéreau had het Flaubert slechts hoeven nazeggen: Margot, dat ben ik. Dat had de indringendste close-up opgeleverd, temidden van het wel degelijk wervelende en meeslepende totaal van de film, een ijkpunt, bron, toetssteen, spiegel - hoe men het noemen wil - van emoties, die nu achterwege blijven.