Franse kritiek doet kabinet aarzelen over drugsbeleid

DEN HAAG, 14 JUNI. De aanhoudende strijd van de Franse regering tegen het Nederlandse drugsbeleid lijkt zijn vruchten af te werpen. Nederland zal de handel in softdrugs niet liberaliseren, zo zei minister Sorgdrager (justitie) gisteren na afloop van een debat in de Tweede Kamer.

Volgens Sorgdrager zou Nederland zich met de liberalisering van de handel in softdrugs te ver verwijderen van het strengere beleid elders in Europa. Afgelopen weekeinde pleitte de Haagse hoofdcommissaris Brand uit naam van alle korpsleiders nog voor een decriminalisering van de handel in softdrugs. De uitspraken van de minister lopen vooruit op een nota die zij en haar D66-collega Borst (volksgezondheid) na de zomer zullen uitbrengen. Sorgdrager gaf gisteren toe dat de Europese positie het Nederland onmogelijk maakt een vrije handel in softdrugs toe te staan. Nederland zou zich internationaal isoleren, aldus Sorgdrager. De beide ministers nemen hiermee overigens afstand van het partijprogram van D66, waarin staat dat softdrugs zo spoedig mogelijk geheel uit de sfeer van het strafrecht moeten worden gehaald.

Dat een nota over het toekomstige Nederlandse drugsbeleid zo lang op zich laat wachten, lijkt alles te maken te hebben met een koerswijziging die zich op dit moment binnen het kabinet voltrekt. Daarbij staat de positie van Nederland binnen Europa centraal. Leek het Nederlandse drugsbeleid de afgelopen jaren internationaal aan waardering te winnen, politici in met name Frankrijk en België nemen inmiddels steeds hardere standpunten in. Het idee dat een liberaal softdrugsbeleid veel criminaliteitsproblemen voorkomt, dat dit weekeinde nog werd vertolkt door Brand, slaat nog niet erg aan.

Pikant genoeg hebben vooral ministers van D66-huize te maken met de beperkingen waartoe Nederland in internationaal verband wordt gedwongen. Ook Sorgdrager is daarvan op de hoogte, getuige haar opmerking eind vorig jaar dat Nederland niet al te veel kan afwijken van Europa. Bovendien vond zij dat het Nederlandse gedoogbeleid te ver was doorgeschoten. Verder ziet minister Wijers (economische zaken) naar verluidt een verslechtering van het investeringsklimaat bij een liberalere Nederlandse houding ten aanzien van drugs. Minister Van Mierlo (buitenlandse zaken) heeft zich de laatste maanden in vele bochten moeten wringen om het Nederlandse beleid in Frankrijk uit te leggen.

Pag. 3: Tekenen duiden eerder op scherper dan op liberaler drugsbeleid

Dat is tot op heden niet gelukt, zo blijkt uit de kritiek van Franse, en ook Belgische minsiters. De Belgische minister van binnenlandse zaken Vande Lanotte laat eens in de zoveel tijd van zich horen, maar ook zijn nieuwe Franse ambtgenoot, Debré, is niet van plan een andere lijn te kiezen. Debré pleitte er enkele dagen geleden voor de invoering van het Verdrag van Schengen uit te stellen, alweer omdat Parijs ontevreden is over het Nederlandse drugsbeleid. Met 'Schengen' zouden de grenzen tussen zeven Europese landen, waaronder Nederland en Frankrijk, worden opgeheven.

Eerder had zijn voorganger Pasqua de Nederlandse drugshandel al fel bekritiseerd, ook al in verband met de verdwijning van de grenscontroles tussen de Schengen-landen. Jacques Chirac, toen nog burgemeester van Parijs, noemde het Nederlandse drugsbeleid eind april “schandalig” en “absoluut onacceptabel”. Aanvankelijk werden beschuldigingen van Chirac en Pasqua afgedaan als verkiezingsretoriek. Maar Nederland blijft onder vuur liggen. Afgelopen vrijdag herinnerde Chirac, inmiddels president van Frankrijk, premier Kok in Parijs nog eens aan het Europol-verdrag dat de landen van de Europese Unie binnenkort hopen te sluiten. Minister Dijkstal ontkende gisteren dat Chirac bij Kok had gedreigd “de grenzen te sluiten” als het Nederlandse drugsbeleid niet zou veranderen. Volgens de Nederlandse vice-premier had de Franse president echter wel degelijk een verband gelegd tussen de drugshandel en de oprichting van de Europese politie-organisatie. “De Fransen gebruiken het Nederlandse drugsbeleid als drukmiddel voor de ondertekening van het Europol-verdrag”, zei Dijkstal gisteren. Dat verdrag, waaraan al jaren wordt gesleuteld, moet aan het eind van deze maand in Cannes worden aanvaard. “En in Cannes willen de Fransen scoren”, weet de Nederlandse vice-premier.

Nederland bevindt zich wat betreft Europol in een ongemakkelijke positie. Het zal hoe dan ook concessies moeten doen. Zowel het kabinet als de Tweede Kamer wil zo snel mogelijk beginnen met een effectievere internationale aanpak van de georganiseerde misdaad, maar over de tekst van het verdrag is Nederland nog ontevreden. Het gaat met name om de financiële, juridische en politieke controle op het Europese politie-apparaat, dat overigens geen uitvoerende bevoegdheden krijgt. Zo ziet Nederland onder meer een belangrijke rol weggelegd voor het Europese Hof van Justitie dat bij geschillen tussen lidstaten en Europol als rechter zou moeten optreden. Frankrijk heeft al laten weten dat Nederland dat standpunt niet kan handhaven gelet op het nationale drugsbeleid. De Tweede Kamer, die morgen met Sorgdrager en Dijkstal over Europol praat, vindt verder dat de politieke controle, zowel van het Europese als de nationale parlementen volstrekt onvoldoende is.

Of het Nederlandse kabinet en de Tweede Kamer de Europol-zaak op de spits willen drijven valt echter nog te bezien. De politie-organisatie, die alvast is begonnen met een Europese Drugseenheid, is gevestigd aan de Raamweg in Den Haag. De City of Justice, zoals de regeringsstad zich in internationaal verband graag presenteert, is er met kabinet en Kamer bang voor dat andere landen de felbegeerde Europol-zetel zullen opeisen.

Hoewel Nederlandse bewindslieden zeggen met toenemende irritatie kennis te nemen van de buitenlandse kritiek op het drugsbeleid, lijkt het er wel op dat de Nederlandse regering haar standpunten aan het bijstellen is. Minister Dijkstal stelt gelaten vast dat er nog steeds onvoldoende begrip bestaat voor het Nederlandse drugsbeleid. De Fransen, in dit geval president Chirac, zijn volgens hem “niet goed op de hoogte” van het hoe en waarom. “Dat blijkt elke keer weer.” Dijkstal vraagt zich echter tegelijkertijd af of de Fransen het wel willen weten.

Voor het Kamerlid De Graaf (D66) is de maat wat dat betreft vol. Hij zei vanochtend dat zijn partijgenoot minister Van Mierlo de Franse ambassadeur moet ontbieden. “Nederland moet stappen ondernemen tegen Frankrijk”, zei De Graaf. “Je kunt niet blijven uitleggen welk beleid wij hier voeren. De Fransen weten precies wat wij doen. Nederland wordt in Frankrijk voortdurend uit de kast gehaald als het de eigen belangen dient. De uitspraken zijn lariekoek. Ze schaden het Nederlandse imago.”

Wat een volharding van het huidige Nederlandse drugsbeleid verder bemoeilijkt is de aanzwellende kritiek van binnenuit. In veel Nederlandse steden vinden burgemeesters dat de overlast door coffeeshops ontoelaatbaar is geworden. De illegale handel in harddrugs in coffeeshops en de aanzuigende werking die het liberale Nederlandse beleid op buitenlanders zou hebben, zijn argumenten voor deze nieuwe opstelling. In verschillende gemeenten wordt daarom een hardere aanpak bepleit en worden coffeeshops gesloten. Het OM antwoordde met een aantal strengere richtlijnen voor de verkoop van softdrugs in de coffeeshops.

Het feit dat Sorgdrager gisteren plotseling meedeelde dat een liberalisering van de softdrugs in Nederland van haar niet te verwachten valt, lijkt erop te duiden dat het kabinet zich bewust is van zijn kwetsbare positie in Europa. Niet uitgesloten is dat de discussies zich de komende maanden eerder op een aanscherping van het drugsbeleid zullen richten dan op een verdergaande liberalisering. En in elk geval, zo wil Sorgdrager, op een nauwkeuriger omschreven beleid. Al was het alleen maar om de Nederlandse koers in het buitenland beter te kunnen uitleggen.