De echte Kurtág is een autistische stamelaar

Concert door Markus Stockhausen: trompet, Majella Stockhausen en Marcus Creed: toetseninstrumenten en Peter Riegelbauer: contrabas. György Kurtág: Rückblick. Hommage à Stockhausen. Gehoord 13/6 Beurs van Berlage Amsterdam.

De Griekse componist Nikos Skalkottas componeerde stukken die weliswaar afzonderlijk konden worden uitgevoerd, maar liever in het geheel van een concert geplaatst werden in een uitgekiende 'choreografie'. Ook de Hongaar György Kurtág bood twee jaar geleden het publiek in Salzburg een soort avondvullend zelfportret aan in de vorm van een 'komponiertes Programm'.

Gisteravond klonk in de Beurs van Berlage weer zo'n ritueel zonder pauze als 'Rückblick' op 35 jaar componeren in de vorm van 40 stukjes, in negen secties onderverdeeld als Hommage an Stockhausen, Altes und Neues für vier Spieler, te weten trompet, piano, clavecimbel, celesta en contrabas. Het is een terugblik die tevens een 'work in progress' is, want het betrof ofwel een bewerking van de grote pianocyclus Játékok ofwel van delen uit de liederencycli opus 7, 11 en 20, afgezien van nog enkele werkjes.

Heel typerend voor de Hongaar is de plaats van de contrabas. Dat krakend weerbarstige instrument vervult niet zelden de hoofdrol. In het manuscript voor het Programm is het vaak dubbel onderstreept en staat het vermeld vóór die andere instrumenten. Daarmee werd tevens iets vreemds aan de orde gesteld. Want de 'echte' Kurtág is de autistische stamelaar, de geblokkeerde tragische figuur, die het verzwegene in moeizame relaties tot klinken brengt in intieme muziek voor intimi, die schaamtegevoel opwekt bij de luisteraar: dat wij dáár bij mogen zijn!

Dat onzegbare berust op bittere ervaringen, de dag valt als een guillotine: zulke teksten componeert Kurtág bij voorkeur. Welnu, deze kant raakte dinsdagavond in het gedrang. Want Kurtág heeft ook nog een ander aspect: als een kind kan hij aarzelend zacht een experiment inzetten om vervolgens geheel ongecontroleerd als in een roes de clusters langs je oren te laten suizen. Een naïef opgaan in het avontuur, zoals een kind een dier begint te strelen om het daarna in de staart te knijpen. Kortom één rücksichtslose anarchie, over de oirbare grenzen heen een zich verliezen in het groteske.

Het is dit aspect dat in de pianocyclus Játékok vooral aan de orde komt en in de bewerkingen voor vier musici is dat zeker nog sterker aangezet. Helaas misten de bewerkingen van de liederencycli een schuldbewuste tragiek. Hoe mooi Markus Stockhausen ook blies, zijn toon bleef eenvoudigweg te helder. Alleen in de zeurderige en huilende kleine glissandi kwam de ware Kurtág weer even aan het woord en dat maakte het nieuw gecomponeerde, inleidende Kirie voor trompet, contrabas en piano vierhandig voor mij tot het hoogtepunt van de avond.

Oorspronkelijk wilde Kurtág daarmee ook eindigen, maar de executanten stelden hem voor om af te sluiten met de Hommage à Stockhausen, mijns inziens een zwaktebod. Jammer ook dat het idee van de componist om te spelen 'ohne Pause - attacca possibili' door de instrumentenwisselingen in piano, klavecimbel en celesta niet mogelijk bleek. Maar hoe prachtig werd er niet gespeeld, schitterend van timing en vooral toonvorming, zeventig minuten lang werd er geluisterd zonder gehoest. Dat mag, nee, dat moet in de krant.