ANSJOVISSERS / I

Op 7 juli 1893 stond het volgende bericht in de NRC: “Van geachte zijde wordt ons geschreven: Juli is aangebroken en daarmede is de visscherij op ansjovis in de Zeeuwsche wateren gesloten. (...) De vangst, die tengevolge van het vroege voorjaar zich gunstig liet aanzien, begon na half Mei spoedig te verminderen en alras bleek het, dat de groote massa in den beginne van het seizoen wel iets gunstiger was dan in 1892, maar in het geheel niet voldoende om de pacht- en exploitatiekosten te dekken”.

Het is een zorgelijk stuk waaruit blijkt dat ook de opbrengst van de “omvisch”, de vis die met de ansjovis wordt gevangen en ook verkocht minimaal was.

Vorige week zat ik bij Cor en zoon Corné van Dort in het bootje te wachten tot het tij laag genoeg was om de weeren te inspecteren. “Het is een mooi vak”, zei Cor, “je weet het namelijk nooit”. Cor is een van de twee overgebleven ansjovisvissers die gedurende een korte periode tweemaal per etmaal de Oosterschelde opvaart om de vis op te halen. Toen het tij laag genoeg was werden de grote rubberen lieslaarzen aangetrokken om het water in te gaan. Die rubberen pakken bestonden enkele eeuwen geleden nog niet, maar voor de rest is de ansjovisserij in de loop der eeuwen niet veranderd. De Bergse vissers doen nog steeds aan de zogenaamde weervisserij, een manier van vissen die al voor 1700 plaatsvond. “Weren” zijn V-vormige houten staketsels gemaakt van ongeveer 3 meter lange eiken takken die dicht bij elkaar in de grond worden gestoken. De punt van zo'n weer waar zich het fuikgat bevindt is naar het diepe water gericht, waar de ansjovis naar toe zwemt. In de paaitijd trekt de ansjovis, die ooit op de Oosterschelde het levenslicht zag, van de koude Noordzee terug naar het warme Scheldewater. De ansjovis loopt twee keer per dag de kans, bij afgaand water, tussen de benen of vleugels van het weer terecht te komen. De trillingen van de takken in het water weerhoudt ze ervan zijwaarts te ontsnappen, zodat ze bij laagwater als de uiteinden van het weer bijna of helemaal droogvallen en men met lieslaarzen het fuikgat kan bereiken in de weer rondzwemmen. Met een sleepnet in de hand wordt de vis in de richting van het fuiknet gedreven, dat aan boord wordt getrokken.

Door de takken in het water turend zagen we weinig ansjovis, maar menige geep voorbijkomen. Een geep had zelfs een ansjovis in de bek. Cor kreeg gelijk. Na het ophalen van het net bleken er een stuk of veertig ansjovisjes te zijn gevangen. De ansjovis van Cor van Dort wordt naar Bergen op Zoom, de enige plaats in Nederland waar je in restaurants verse ansjovis kunt eten, gebracht en verkocht.

    • Anne Scheepmaker