Orde in de wildernis

MILDAM. “Je hebt draglinemachinisten in soorten en maten”, vertelt Ultsje Hosper terwijl we door de weilanden achter het Tjongerkanaal lopen. “Je hebt er die het allemaal onzin vinden, die een beekbedding graven alsof het een rechthoekige sloot is. Maar je hebt er ook die een oud vennetje heel precies kunnen uitgraven, die aan de hand van de grond precies weten waar ze moeten stoppen of doorgaan.”

Boven ons hoofd buitelen de kievieten en de grutto's, de regenwolken jagen als galeischepen over de vlakte en voor ons meandert de oude Tjonger: honderd jaar geleden dichtgegooid, nu weer keurig uitgegraven. De aarden oevers zijn nog scherp en kaal, maar over een paar jaar zullen ze er net zo uitzien als hun omgeving: vol grassen, kruiden en bloemen, een weitje zoals je alleen ziet aan de voeten van een middeleeuwse madonna.

De Nederlanders zijn altijd meesters geweest in het scheppen van hun eigen natuur. In zijn nieuwe boek Landscape and Memory beschrijft Simon Schama hoe het Nederlandse woord 'landschap' al aan het eind van de zestiende eeuw de Engelse taal binnensiepelde. Dat lag ook voor de hand: In dit door mensenhanden drooggehouden land moest wel vroeg het idee van een landschap ontstaan, een stuk natuur dat geschapen kon worden en te allen tijde herschapen.

Ruim een eeuw geleden kronkelde de Tjonger nog door dit Zuidfriese landschap en twintig jaar geleden daverde een ruilverkaveling als een bulldozer over het gebied. Nu wordt hier en daar moeizaam geprobeerd de oude ecologie te herstellen. De nabijgelegen Ketliker Heide werd pas zestig jaar geleden ontgonnen. Nu zijn bulldozers bezig de vruchtbare bouwgrond weg te halen en het terrein weer schraal te maken. En in het aanpalende Ketliker Skar, een honderd jaar oud landgoed, worden nu de afwateringssloten gedempt zodat er weer een natuurlijke waterhuishouding ontstaat.

Ultsje Hosper, ooit boerenzoon, nu plaatsvervangend directeur van de natuurbeschermingsorganisatie It Fryske Gea, kan vol verve vertellen over de gevolgen die na een paar jaar al zichtbaar zijn: “Bepaalde exotische boomsoorten leggen het loodje, er vallen gaten in het bos, maar daardoor ontstaat veel meer variatie. Het wordt weer een bos, in plaats van een houtopstand. In het buitengebied broeden nu weer kiekedieven, rietzangers, soms zelfs paapjes, allemaal soorten die je nooit meer zag. En kijk eens onder je voeten: normaal vind je in zo'n oud weiland een stuk of vijf verschillende plantensoorten per vierkante meter. Hier staan er twintig tot dertig.” En zo lopen we door duizend boeketten: dan het geel van de boterbloemen, dan het rood van de zuring, dan de bontheid van dotters, ratelaars, koekoeksbloemen en moerasvergeetmijnieten.

Op dit moment wordt zo in heel Nederland opnieuw natuur gemaakt, even gemakkelijk als we eeuwenlang het omgekeerde deden. In het rivierengebied worden zomerdijken doorstoken om weer ruimte te geven aan ooibossen en zompige moerassen. In het noorden worden polders weer meertjes. En in Gaasterland is zelfs een kleine boerenopstand gaande tegen plannen om weilanden weer om te zetten in 'vogeltjesland'.

Opnieuw volgt de natuur de landbouw - al is het nu de sanering van de landbouw. Het Natuurbeleidsplan van 1989 voorziet in de ontwikkeling van 250.000 hectare natuur in een periode van dertig jaar. Daarvan moet 50.000 hectare 'nieuwe natuur' worden. En zo kunnen de draglines van de Heidemij en de Grontmij weer aan de slag, maar nu met het ongedaan maken van wat ze ooit zelf met zoveel kosten en moeite aanlegden.

Terug komt de natuur nooit helemaal. “We onderscheiden gebieden in natuurlijk, nagenoeg natuurlijk, begeleid natuurlijk, half natuurlijk en cultuurlijk”, zegt Ultsje Hosper. “Natuurlijk gebied komt in Nederland niet meer voor, nagenoeg natuurlijk is alleen de Waddenzee, en dit gebied hier kunnen we op zijn best van half natuurlijk naar begeleid natuurlijk krijgen. Van een rivier als de Tjonger is nooit meer een natuurlijke stroom te maken. Die wordt tegenwoordig net zo hevig gebruikt om water aan te voeren als om water af te voeren. In de zomer stroomt die beek gewoon andersom!”

Maar wordt het hier dan niet een soort openluchtmuseum, waar mensen even naar de natuur kunnen gaan kijken, zoals ze in het Spoorwegmuseum even in een 19e eeuwse trein kunnen zitten? Ultsje Hosper vindt dat wel meevallen. “Het gaat ons er niet om natuurgebieden te reconstrueren zoals ze er een eeuw geleden uitzagen. Wij willen in de eerste plaats de natuurlijke processen in zo'n gebied herstellen, en die hangen grotendeels af van de bodem en de waterhuishouding. Daar beginnen we mee, dat zijn forse ingrepen, maar daarna is het voornamelijk een kwestie van begeleiding.”

In het bos, met zijn waterplassen en de hier en daar halfverrotte bomen, komen we te spreken over de vraag wat natuur nu eigenlijk is. “Tien jaar geleden veegden ze hier in de herfst nog alle bladeren van de paden”, zegt Hosper. “En de eerste bestuursleden van It Fryske Gea groeven nog orchideëen uit, om ze in hun eigen terreinen weer uit te zetten. Wij laten in het bos Schotse Hooglanders grazen. Dat was in de jaren dertig en veertig bij natuurbeschermers een doodzonde.”

Toen waren de rechte lanen waar we nu nog doorheen lopen de grote mode, en geordende landschappen. Nu idealiseren we de wildernis, en we geloven heilig dat de natuur zelf wel voor de nodige evenwichten zal zorgen. Morgen leggen we wellicht weer het accent op de variatie aan cultuurlandschappen in dit land en klagen we over de eenvormigheid van de ondertussen opgeschoten oerbossen. Alles wat we van onze samenlevingen wensen en vrezen blijven we zo projecteren op het wonder dat we in dit land 'natuur' noemen - al weten we allang dat ook dit laatste mysterie enkel nog geschapen wordt naar ons eigen beeld.