Opa vertelt verder

Wanneer opa vertelt, dan vertrouwt hij meestal op zijn geheugen, en dat is niet onfeilbaar. Toen ik hier op 19 mei een paar herinneringen ophaalde met betrekking tot het naoorlogse streven van Nederland delen van Duitsland te annexeren, heb ik ook een paar dingen gezegd die achteraf correctie behoeven. Iemand die nauw bij deze politiek betrokken is geweest, wijst mij erop.

Maar eerst een opfrisser. Tegen het eind van de oorlog en in de eerste jaren daarna waren er heel wat Nederlanders - en vaak niet de eersten de besten - die van mening waren dat Duitsland, bij wijze van vergoeding voor de Nederland tijdens de bezetting toegebrachte schade, delen van zijn grondgebied aan ons moest afstaan. De eisen varieerden van gebied tot aan de Eems tot gebied tot aan de Wezer.

De regering was die mening ook toegedaan, al waren haar eisen minder ambitieus. Maar zelfs deze kregen geen kans bij de bezettende mogendheden, die al genoeg zorgen aan hun hoofd hadden in het door hen bezette, totaal vernielde en hongerende Duitsland om niet ook nog, door toe tegeven aan de Nederlandse eisen, voedsel te geven aan een Duits irredentisme.

En zo schrompelden de Nederlandse eisen allengs in tot enkele grenscorrecties, waarvan vooral die om Elten en Tudderen tot gevolg hadden dat ongeveer tienduizend Duitsers binnen ons staatsverband werden opgenomen, zonder overigens gedwongen te worden Nederlanders te worden. (De oorspronkelijke eisen hadden voorzien in de verdrijving van de Duitse bevolking.)

Die grenscorrecties nu werden op 23 april 1949 uitgevoerd, met een militair vertoon “alsof het een zwaarbewapende vijand gold, op wie ze (de betrokken gebieden) veroverd moesten worden”, zo schreef ik. Maar ik schreef ook dat de Belgen het slimmer deden: “ook zij maakten aanspraak op Duits grondgebied, maar zagen er op het laatste ogenblik van af deze eisen te realiseren - zonder ze overigens op te geven”.

Deze laatste bewering nu behoeft correctie. Mr. J.H. Burgers, die in de jaren 1958-1963 - toen Nederland en de Bondsrepubliek onderhandelden over een Generalbereinigung, waarbij ook die grenscorrecties weer ter sprake kwamen - op Buitenlandse Zaken de ambtenaar was die de kwestie van die correcties behandelde, schreef mij hoe de vork werkelijk in de steel zat.

Het was niet zo dat België ervan afgezien heeft alle grenscorrecties te verwezenlijken. Het nam - ook op 23 april 1949 - zelfs het grootste deel van het toegewezen Duitse gebied (20 vierkante kilometer van de toegewezen 27 vierkante kilometer) in beslag, maar daarop woonden maar ongeveer vijfhonderd mensen, tegenover vierduizend op de niet in bezit genomen 7 vierkante kilometer. Nederland daarentegen kreeg er, zoals vermeld, tienduizend Duitsers bij.

Dat punt is niet onbelangrijk, want voor de Duitsers was vooral het afstaan van bewoonde grenscorrectiegebieden moeilijk te slikken. Zoals Burgers schrijft: “... de Duitsers in hun legalistische geest hadden zichzelf wijs gemaakt dat dit voor de toekomst een belangrijk precedent zou zijn voor het lot van de Duitse gebieden die door Polen en de Sovjet-Unie waren geannexeerd.”

Ze juichten het Belgische besluit dus toe. “Dit is een bijdrage voor de geest van een nieuw Europa”, zei Karl Arnold, minister-president van Noordrijn-Westfalen, en de latere bondskanselier Adenauer zei: “Deze gebeurtenis betekent een voortzetting van de keten van gunstig nieuws, waardoor de Westelijke geallieerden Duitsland opnieuw voegen in de Europese gemeenschap.”

Ook op leden van de Eerste Kamer, die op 21 april over de grenscorrecties debatteerde, maakte de Belgische zelfbeheersing enige indruk. Er bestond in die Kamer sowieso weinig geestdrift voor die correcties. Minister van buitenlandse zaken Stikker was zelfs gedwongen de kabinetskwestie te stellen. Ten slotte werd het betrokken wetsontwerp met 25 stemmen tegen zeventien aangenomen (de Eerste Kamer had toen vijftig leden).

Tot zover de toedracht van zaken in 1949. Toen, negen jaar later, was Luns minister van buitenlandse zaken, en over die onderhandelingen weet Burgers het volgende te vertellen:

“In het voorjaar van 1958 besloot Luns, tot verrassing van zijn ambtenaren, de kwestie van de schadevergoeding voor nazislachtoffers 'prealabel' te stellen. Gedurende bijna een jaar lagen alle andere besprekingen stil. In de loop van dat jaar kwam de Bondsregering met een aanbod van 40 miljoen DM. Het Nederlandse antwoord was: 'Neen, 125 miljoen!'

“Na een aantal maanden en na overleg in de Duitse ministerraad verscheen de Duitse onderhandelingsleider, Rolf Lahr, in Den Haag met een 'laatste bod': 100 miljoen. Weer werd hij teruggestuurd met de boodschap: '125 miljoen!' In april 1959 zwichtte Bonn eindelijk voor de Nederlandse eis. Pas toen werden de ingewikkelde besprekingen over alle kwesties - dus ook over de grenscorrecties - hervat. Ze werden uiteindelijk geregeld in een stel op 8 april 1960 ondertekende verdragen, waarbij onder andere Elten en Tudderen aan Duitsland teruggegeven werden.

“Wij begrepen op BZ heel goed waarom men het in Bonn zo moeilijk had met de Nederlandse claim. Als de Bondsrepubliek de Nederlandse eis inwilligde, zou zij alle Westeuropese landen met nazislachtoffers op dezelfde voet moeten behandelen. Wij hadden uitgerekend dat dit haar in totaal ongeveer een miljard DM zou kosten. (Dat was in 1959 nog een groot bedrag.)

“Nadat Bonn aan Nederland toegegeven had, sloot het inderdaad een reeks akkoorden met andere Westeuropese landen over schadevergoeding voor nazislachtoffers, en zie: het totaal bedrag bedroeg inderdaad ongeveer een miljard. Ik heb weinig sympathie voor Luns, maar zijn 'prealabel stellen' van de bewuste claim was inderdaad een geniale zet. Hij besefte wat geen van zijn adviseurs had ingezien, namelijk dat de Bondsregering het zich nooit zou kunnen veroorloven de onderhandelingen met Nederland op deze kwestie stuk te laten lopen.

“Merkwaardig dat niemand binnen of buiten Nederland weet dat Nederland aldus door middel van Elten en Tudderen een bedrag van ruim 850 miljoen DM heeft binnengehaald voor nazislachtoffers in Noorwegen, Denemarken, Griekenland, Frankrijk en Italië.”

Burgers voegt hier nog een persoonlijke waarneming aan toe: “Bij die onderhandelingen van 1959-1960 trof het mij dat wij Nederlanders en de Duitsers veel meer op elkaar lijken dan Nederlanders en Belgen. Zo zijn we allebei perfectionistisch” (en legalistisch, had hij er wel bij hebben kunnen zeggen na de Duitsers legalistisch genoemd te hebben). Hij illustreert deze stelling als volgt:

“Bij het verdrag hoorde een heel pak kaarten. Die zijn in samenwerking tussen het kadaster in Maastricht en het Landesvermessungsamt in Aken gemaakt, een tijdrovend werk. Daarbij zijn o.m. alle woorden aan de Nederlandse kant van de nieuwe grens in het Nederlands geschreven en aan de andere kant in het Duits.

“Natuurlijk keken wij destijds eerst hoe een en ander in het Belgisch-Duitse verdrag van 1956 gedaan was. Wel, dat bleek uiterst eenvoudig: de daar gebruikte formules strookten geheel met het Duitse standpunt, en de kaarten waren puur Duitse kaarten! De Belgen hadden er kennelijk geen enkel probleem van gemaakt en gewoon door de Duitsers zowel de verdragstekst als de kaarten laten leveren. Voor ons was dat een precedent dat we niet konden gebruiken.”

Zo geeft deze petite histoire - want wereldschokkend is een en ander niet - behalve enkele correcties op mijn weergave, ook een aardig inzicht in de verschillende wijzen van denken en handelen van enige Europese buurvolken èn in het instinct van de door links Nederland nog altijd onderschatte Luns.

Nog een correctie: ik schreef op 19 mei ook dat ir. F. Bakker Schut voorzitter was van het comité dat zich beijverde voor annexatie van Duits grondgebied (werkelijke naam: Nederlandsch Comité voor Gebiedsuitbreiding). Een oud-lid van dat comité, dr.mr. L. de Gou, oud-burgemeester van Haarlem en oud-lid van de Eerste Kamer, deelt mij mee dat Bakker Schut secretaris was. Voorzitter was eerst jhr.ir. O.C.A. van Lidth de Jeude, later ir. J. van den Broek, beiden oud-minister. De Pyttersen's Almanak van die jaren vermeldt dit comité niet.