Onvrede met drugsbeleid Nederland; Parijs wil uitstel invoering Schengen

PARIJS, 13 JUNI. Frankrijk wil de proefperiode van het Schengen-verdrag over open grenzen en politie-samenwerking met een half jaar verlengen. Parijs is ontevreden over de manier waarop Nederland optreedt tegen de drugshandel en wil de samenwerking eerst verbeteren alvorens tot definitieve invoering van Schengen over te gaan.

Den Haag heeft de laatste dagen nieuwe waarschuwingen gekregen uit de monden van president Chirac en zijn minister van binnenlandse zaken, Debré, die in een vraaggesprek met Le Figaro heeft gepleit voor het uitstellen van Schengen, het slechten van de grenzen tussen zeven Europese landen. Parijs wil vandaag de toon weliswaar niet aanscherpen, maar hun woorden lijken ondubbelzinnig.

Vrijdagavond al, tijdens de ingelaste en informele Europese top in Parijs, zou Chirac volgens premier Kok een duidelijk verband hebben gelegd tussen de voortgang met de politiesamenwerking (Europol en Schengen) en de Nederlandse strijd tegen de drugshandel. Op de voorpagina van Le Monde staat vandaag een uitspraak van Chirac, gedaan tijdens dat zelfde diner, die verder gaat dan de samenvatting van de woorden van Chirac die de premier vrijdag gaf. “Of jullie treden krachtig op tegen de drugshandel, of wij sluiten de grenzen.” Op het Elysée was vanmorgen geen bevestiging te krijgen van de juistheid van dat citaat. Volgens minister Van Mierlo (buitenlandse zaken) heeft de nieuwe regering zich nog onvoldoende verdiept in de materie. “Het lijkt me verstandig als de Franse president, die er nog maar kort is, kijkt naar het Nederlandse drugsbeleid. Door de Franse media en politici wordt daar flink wat onzin over verteld. Als hij de dingen uit elkaar haalt zal hij zien dat het drugsprobleem en Europol twee gescheiden zaken zijn.”

De minister van binnenlandse zaken, Jean-Louis Debré kondigde in het vraaggesprek met Le Figaro aan de huidige proefperiode (ingesteld op Frans verzoek), die tot 1 juli loopt, met een half jaar te willen verlengen. “Laten wij ons zelf de tijd geven de werking van de verdragen in de praktijk te verbeteren en laten wij de ruimte laten om, als dat nodig is, in de tussentijd terug te vallen op de nationale veiligheidsclausules waar de Conventie in voorziet.”

Debré zegt met zoveel woorden dat hij niet het hele Schengen-stelsel ter discussie wil stellen. “De strijd tegen de misdaad kan zich niet binnen een exclusief nationaal kader afspelen.” Op zijn ministerie wil men bevestigen nog ontkennen dat Debré aan Nederland dacht toen hij over verlenging van de proefperiode zei: “Laten wij ervan profiteren door bestaande maatregelen te versterken en bepaalde onmisbare vormen van samenwerking te verdiepen.