Minister Waigel wil naam van mark handhaven

BONN, 12 JUNI. Voor de ECU als Europese munt bestaat zo weinig enthousiasme bij de bevolkingen in de Europese Unie dat het beter is die aanduiding straks te verbinden met het nationale muntbegrip. Dus: ECU-pond, ECU-gulden, ECU-mark etcetera. Voor het in 1999 komt tot een Europese economische en monetaire unie (EMU) moet er ook een andere verdeling van de financiële lasten komen, waarbij met name Duitsland als veruit grootste “netto betaler” moet worden ontlast.

Dit schrijft CSU-voorzitter Theo Waigel, minister van financiën in Bonn, in een “Europees papier” dat hij voor zijn partij heeft opgesteld. Volgens hem is het wegens het geslonken enthousiasme voor de EU bij de burgers van belang dat ook de monetaire identiteit van de lidstaten nog enige tijd uitgedrukt blijft in het geld. Hij stelt daarom voor straks bankbiljetten te ontwerpen waarop bijvoorbeeld in het hart ECU staat en aan de rand de nationale munt wordt genoemd.

In zijn zeven pagina's tellende notitie, getiteld: Gedachten en stellingen over Europa, raadt Waigel de Duitse regering aan om volgend jaar op de EU-toetsingsconferentie “duidelijk naar voren te komen met eigen preferenties en belangen”. Dat verwachten de Europese partners ook van Duitsland, “dat als grootste en economisch sterkste lidstaat een leidende rol heeft, of we dat nu willen of niet”. Vast moet staan dat de ECU even hard zal zijn als de D-mark en dat de Bondsrepubliek niet akkoord zal gaan met “politieke verwatering” van de economische toetredingsvoorwaarden voor de EMU. Er mag voor niemand een “Europa light” komen, schrijft Waigel.

Duitsland is binnen de EU veruit de grootste financier is, draagt netto 70 procent van het Brusselse budget, met een eigen nadelig betalingsoverschot van 21 miljard mark per jaar, terwijl een land als Groot-Brittannië jaarlijks 4,7 miljard aan lidmaatschapskorting krijgt. Dat is aan Duitse kiezers steeds minder makkelijk te verkopen, vindt Waigel, die een “eerlijker verdeling” van de lasten wenst omdat de huidige verdeling “op den duur voor Duitsland niet aanvaardbaar is, dat moeten ook onze partners weten”. Hij kondigt op dit stuk initiatieven voor 1996 aan, temeer omdat hij heeft becijferd dat extra uitgaven van circa 70 miljard 's jaars nodig zullen zijn als de EU straks wordt uitgebreid met Oosteuropese leden. De CSU-voorzitter wijst erop dat de Bondsrepubliek ook al veruit de meeste kosten in Europa maakt voor de opvang van asielzoekers (415.000 in '94) en vluchtelingen (350.000, vooral uit het vroegere Joegoslavië).

Ook op andere terreinen binnen de EU moet het gewicht van de Bondsrepubliek en van andere grotere landen beter tot uitdrukking komen. Waigel, van wie bekend is dat hij zijn ambities om minister van buitenlandse zaken te worden totnutoe vooral heeft onderdrukt omdat hij het voorzitterschap van de Beierse CSU (zijn politieke machtsbasis) niet wil verspelen, wil bijvoorbeeld een nauwere relatie tussen de bevolkingsomvang van EU-leden en het aantal Europese parlementariërs dat zij afvaardigen. Als voorbeeld noemt hij dat een Portugees lid van het Europese Parlement maar half zoveel kiezers vertegenwoordigt als een Duits lid.

Wil het Europese Parlement, wat volgens Waigel door gebrek aan bevoegdheden toch al tobt met een “democratisch tekort”, hanteerbaar blijven dan mag het bij komende EU-uitbredingen niet boven de huidige 662 leden groeien. Om de Unie hanteerbaar te houden moet het aantal leden van de Europese Commissie niet worden vergroot, maar liever beperkt, bijvoorbeeld door dat aantal op relevante taken te baseren en niet op nationale wensen van de lidstaten. In Brussel moet een model voor meerderheidsbeslissingen worden gevonden, zodat chantage met het vetorecht bemoeilijkt wordt. Maar op het terrein van de fiscale en financiële politiek moet de unanimiteitseis gehandhaafd blijven, aldus Waigel.