Iraanse nood dicteert een toenadering tot de gehate aartsvijand Irak

Tot verbijstering van de beleidsmakers in Washington probeert Iran met zijn eeuwenoude vijand Irak een goede relatie op te bouwen. Niet uit plotseling geboren sympathie, maar om te ontkomen aan de wurggreep van de Amerikaanse regering, die de reeds bestaande economische problemen nog nijpender heeft gemaakt. Het Engelstalige blad Kayhan International was daarover gisteren zeer openhartig: “Iraanse politici sluiten èchte vriendschap uit tussen Iran en Irak, zolang Saddam Hussein en zijn Ba'ath-partij aan de macht zijn. Maar zij houden tevens vol dat een toenadering onvermijdelijk kan blijken te zijn, als de belangen dat vereisen.”

Die mededeling verraadt hoe hoog de Iraanse nood is. Tot dusverre heeft Irak gereserveerd gereageerd op de Iraanse ouverture; vice-premier Tareq Aziz berichtte twee weken geleden dat zijn land graag de betrekkingen wil normaliseren, maar “niet overtuigd is van de Iraanse wil tot normalisering van de relaties met Irak”.

Waarschijnlijk was dat een tactische uitspraak, omdat de Irakezen het gevoel hebben dat de Iraniërs hen thans meer nodig hebben dan zij hen. Bagdad heeft in elk geval reeds het Iraanse verzoek afgewezen om Massoud Rajavi, de leider van de gewapende Iraanse oppositiebeweging Mujahedeen Khalq (Heilige Oorlogstrijders van het Volk), aan Iran uit te leveren. Maar Tareq Aziz sloot de mogelijkheid om Teheran tevreden te stellen niet geheel uit. “Wij zeiden tot hen dat het Iraakse leiderschap Rajavi, die gast in Irak is, niet kan uitleveren, en dat zij een andere oplossing moeten vinden.”

Bovendien heeft Irak erin toegestemd de onderhandelingen voort te zetten en een delegatie naar Teheran te sturen. Dit alles tot grote ongerustheid van de Arabische sjeiks en emirs aan de Golf. Zij maken zich diepe zorgen over een gelegenheidsalliantie tussen de twee machtigste staten aan de Golf, waardoor zij nòg meer dan nu voor hun overleven van de Amerikanen afhankelijk worden.

Als er één land is dat naar eigen gevoel altijd en eeuwig belaagd wordt door een door Satan geregeerde buitenwereld, dan is het wel de Islamitische Republiek Iran. Dat land neemt al sinds jaren een vooraanstaande plaats in op de door het Amerikaanse State Department opgestelde lijst van terroristische staten. In Teheran ziet men dat als de zoveelste daad van agressie. Daar beschouwt men zich als een van de zwaarst getroffen slachtoffers van talloze door het Westers imperialisme en zionisme gesmede komplotten. Deze Krachten van het Duister bedrijven een permanent terrorisme, dat ten doel heeft de islam en de islamitische wereld te onderdrukken, en haar verdedigster bij uitstek - de Islamitische Republiek Iran - te intimideren en krachteloos te maken.

In Teheran kan men daarvoor talloze bewijzen aanvoeren. Werd niet Saddam Hussein, de onheilige leider van Irak, door de Amerikanen en de Iraanse vijanden van de Islamitische Revolutie ertoe aangezet om in 1980 zijn agressie-oorlog tegen Iran te beginnen? En ageerden niet de Mujahedeen Khalq eigenlijk al sinds de geboorte van de Islamitische Republiek tegen haar welslagen? Waren het niet de Mujahedeen Khalq, die in 1980 en 1981 de Islamitische Republiek probeerden te vernietigen met een golf van terroristische aanslagen tegen haar leiders? En gingen vervolgens diezelfde Mujahedeen Khalq, die door de Amerikaanse CIA en de Saoediërs gesubsidieerd werden (en misschien nog steeds worden) geen bondgenootschap aan met Saddam Hussein? Zij mochten zich immers in 1986 in Irak vestigen en daar een eigen leger opbouwen, dat verscheidene, overigens mislukte, invasiepogingen op Iraans grondgebied ondernam.

De recente pogingen van de regering-Clinton om haar politiek van 'dual containment' (het in bedwang houden van zowel Irak als Iran) meer tanden te geven, leidde zes weken geleden tot het afkondigen van een volledig Amerikaans handelsembargo tegen Iran. Wederom wordt de Islamitische Republiek door 'de Krachten van de Wereldarrogantie' met een oorlog geconfronteerd.

Ondanks alle stoere taal van de machthebbers in Teheran dat Washington daarmee alleen zichzelf grote schade berokkent, wordt hun nervositeit steeds groter. Het Amerikaanse offensief had immers niet op een beroerder tijdstip kunnen komen. Het ging Iran economisch al zeer slecht. En door de openlijke Amerikaanse vijandschap zijn er geen reële vooruitzichten op een verbetering, omdat Washington overal ter wereld zware druk uitoefent Iran geen kredieten te verlenen. Volgend jaar zal Iran met zijn olie-inkomsten van naar schatting twaalf tot veertien miljard dollar en zijn andere inkomsten van circa twee miljard dollar onvoldoende middelen beschikbaar hebben om aan zijn minimumbehoefte van twintig miljard dollar te voldoen (waaronder zes miljard dollar voor betaling van zijn schuld, vier tot vijf miljard dollar voor de import van voedsel, vier miljard voor de instandhouding van de olie-industrie, twee miljard voor de aankoop van wapens, exclusief de aanschaf van nucleaire installaties, etc. etc.).

Geen wonder dat de aankondiging van de Amerikaanse handelsboycot tot een tomeloze val van de rial leidde (van 4.200 tot meer dan 7.000 rial voor één dollar), waarop de regering haar tot dusverre gevoerde politiek om van Iran een vrije-markteconomie te maken vaarwel zei. De dollar heeft nu van de overheid een gefixeerde waarde van 3.000 rial gekregen. “Onze economie is opnieuw gesovjetiseerd”, zei gisteren een Iraanse exporteur van tapijten, die zich op een lange vakantie voorbereidt omdat hij geen onnodige verliezen wil nemen. “De economie is weer onder controle van de staat gebracht, die echter wèl een zwarte markt toestaat. En daarvan profiteren uiteindelijk alleen de geprivilegieerde bonyads, de islamitische stichtingen, die onder leiding van de mullahs staan en in het recente verleden al miljarden hebben verdiend.”

De Iraanse overheid is er nog niet in geslaagd nieuwe kopers te vinden voor de olie die de Amerikaanse maatschappijen ten bedrage van vier miljard dollar per jaar opkochten. Tegelijkertijd moeten de Iraniërs op hun hoede zijn voor andere olie-exporterende landen, die wel eens van de gelegenheid gebruik kunnen maken om hun eigen aandeel in de wereldmarkt ten nadele van Iran te vergroten.

Die omstandigheden dwingen de Islamitische Republiek op alle fronten en in alle continenten nieuwe vrienden te zoeken. Het is onwaarschijnlijk dat zij volgende week de Europese Unie een bevredigende garantie kan geven over de veiligheid van de Britse schrijver Salman Rushdie. Daarom is zelfs het verdoemde Irak van Saddam Hussein nu een gewenste partner geworden.

Maar er zijn heel wat diplomatieke gaven nodig om de diepe vijandschap, al was het maar tijdelijk, te overbruggen. Irak begon in 1980 de oorlog onder andere om via de grensrivier de Shatt el-Arab betere toegang te krijgen tot de Golf, die volgens de Iraniërs Perzische Golf en volgens de Irakezen Arabische Golf heet. Die toegang is voor Irak nu nòg belangrijker dan in 1980, omdat het inmiddels ook een deel van zijn enige haven aan de Golf, Umm al-Qasr, via een door de VN opgelegde grenscorrectie aan Koeweit is kwijt geraakt.

Volgens Irak kwijnen meer dan 20.000 Iraakse krijgsgevangenen weg in Iraanse kampen, terwijl Iran zegt dat zich nog duizenden Iraanse krijgsgevangenen in Irak bevinden, wat Bagdad ten stelligste ontkent. Voorts wil Irak de meer dan 140 militaire en civiele vliegtuigen terug, die tijdens de tweede Golfoorlog (om Koeweit) voor de Amerikanen naar Iran vluchtten en daar al na enkele weken in Iraanse kleuren werden overgeschilderd. Irak eist ook dat er een eind komt aan de activiteiten van de door Iran gesteunde ayatollah Baqr al-Hakim, hoofd van de Hoogste Assemblée van de Iraakse Revolutie. Hij mag op grote steun rekenen van de Iraniërs, die nog steeds hopen op een islamitische revolutie in Irak. Maar voor alle zekerheid heeft de ayatollah ook een hoofdkwartier in Damascus gevestigd om niet al te afhankelijk van Teheran te blijven.

Van Iraanse kant is er de kwestie van de schadevergoeding die Iran eist als tegemoetkoming voor de Iraakse agressie-oorlog van 1980. Die claim bedroeg acht jaar geleden al 140 miljard dollar. Irak is in de verste verte niet bereid of in staat dat bedrag te betalen. Bagdad vindt trouwens elke schadevergoeding aan Teheran onbespreekbaar, omdat het Iran als de agressor van de eerste Golfoorlog beschouwt.

Toch kunnen Iran en Irak met een beetje goede wil gelegenheidsvrienden worden, zij het voor een niet al te lange periode. “Men moet niet het belang onderschatten van een verzoening tussen Teheran en Bagdad, en de gevolgen daarvan op de verbetering van de verhoudingen in de Perzische Golf”, schreef Kayhan International gisteren in zijn commentaar. Om eraan toe te voegen: “Iran noch Irak kan bij de huidige status quo iets winnen. Vroeger of later moet er een verandering ten goede komen. Waarom niet nu?”

Enkele data in het Arabisch-Perzische geschil

637 Slag bij Qadissiya; de Arabieren verslaan Perzië dat pas in de 16de eeuw als politieke entiteit terugkeert. Dat gebeurt onder de Safavieden, die daartoe hun onderdanen de shi'a opleggen.

1555 Verdrag van Amassia; Perzië moet afzien van Irak, inclusief de grensrivier de Shatt al-Arab die de komende honderden jaren een twistappel zal blijven.

1639 Verdrag van Zohab, bevestigt het verdrag van Amassia na een bezetting van de Shatt al-Arab.

1727 Verdrag van Amir Ashraf, waarbij Perzië wordt verboden zich te mengen in Arabistan (nu Iraans Khuzestan).

1823 Verdrag van Erzurum; de Shatt al-Arab valt toe aan het Ottomaanse Rijk.

1847, Erzurum II. De grens wordt gelegd langs de oostelijke oever van de Shatt al-Arab en Perzië krijgt vrije doorvaart in ruil voor het opgeven van aanspraken op de provincie Sulaymaniya.

1913 Protocol van Constantinopel, bevestigt Erzurum II.

1935 Perzië eist de hele Shatt al-Arab op

1937 Bevestiging van Erzurum II.

1959 Perzië zegt Erzurum II opnieuw op.

1975, Akkoord van Algiers, grens gaat naar de middellijn van de grensrivier.

1980-1988 Oorlog, onder andere om de Shatt al-Arab.