Inhaalrace in technologie nodig

DEN HAAG, 13 JUNI. Samenwerking is het sleutelwoord in de nota Kennis in beweging die de ministers Wijers en Ritzen volgende week woensdag zullen presenteren. Samenwerking tussen overheid, bedrijven, kennisinstituten en universiteiten moet ervoor zorgen dat Nederland begint aan een inhaalrace op het gebied van technologie en innovatie. Dat is nodig ook, want Nederland heeft een flinke achterstand in te halen.

Wanneer de totale uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling in procenten van het bruto binnenlands produkt (bbp) in ogenschouw worden genomen, ligt Nederland ver achter bij de meeste andere rijke landen in de Westerse wereld. Om het gemiddelde van de 25 rijkste westerse industrielanden te bereiken zou 2,5 miljard gulden per jaar extra in onderzoek en ontwikkeling moeten worden geïnvesteerd. Om het niveau van Duitsland en Japan te bereiken moet volgens Wijers en Ritzen zelfs het dubbele worden geïnvesteerd.

Maar uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling zeggen niet alles, aldus de beide bewindslieden. Bedrijven als McDonalds, Swatch, CNN en Ikea hebben grote marktaandelen veroverd door innovatief te zijn en die innovaties tegelijk te integreren in een breder concept. Daaruit blijkt volgens Wijers en Ritzen het belang van goede marketing.

Een ander voorbeeld is Stork. Het is volgens de bewindslieden van economische zaken en onderwijs “geen eis dat Stork de materiële produkten zèlf produceert”. Dat kan ook worden overgelaten aan co-developers en co-suppliers waarmee Stork samenwerkt. Ook kennis kan op grote schaal worden ingekocht. Dat gebeurt ook. De uitgaven van Nederlandse bedrijven voor aankoop van kennis via het nemen van licenties bedragen ongeveer 0,5 procent van het bbp. Dat is in internationaal opzicht hoog. Nederland bevindt zich met Duitsland in de top van landen die actief zijn in aankoop van kennis uit het buitenland. Per saldo is Nederland netto importeur van kennis. Dat geldt overigens voor de meeste landen. Kennisexporteurs zijn de VS, Zweden, Denemarken en Groot-Brittannië. De handelsmentaliteit zit Nederlanders ook op dit gebied kennelijk in het bloed.

Ook al zeggen uitgaven voor research and development (r&d) niet alles, toch meent het kabinet “dat de smalle r&d-basis ons kwetsbaar maakt”. De r&d-uitgaven zijn namelijk geconcentreerd bij een klein aantal bedrijven: 50 bedrijven bepalen zo'n 90 procent van de totale bedrijfsuitgaven aan onderzoek en ontwikkeling. De grootste vijf bepalen 60 procent. De r&d-intensiteit (uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling in procenten van het bbp) van de grootste vijf r&d-bedrijven in Nederland is in vijf jaar bijna gehalveerd: van 0,9 procent bbp in 1987 tot 0,5 procent bbp in 1993. Het heeft er veel van weg dat de grotere ondernemingen hun onderzoek en ontwikkeling naar het buitenland aan het verplaatsen zijn. Dat is niet helemaal onlogisch. Ook het zwaartepunt van de produktie en afzet komt daar steeds meer te liggen.

Tussen 1988 en 1992 is het aantal bedrijven dat r&d verricht fors gedaald van 6600 naar ongeveer 4300. Wijers en Ritzen maken zich daar zorgen over. Een ander zorgwekkend signaal is dat in tegenstelling tot nagenoeg alle andere rijke westerse industrielanden het aandeel R&D dat door het buitenland wordt gefinancierd in Nederland afneemt. “Dat zou erop kunnen duiden dat het Nederlandse R&D-klimaat als relatief ongunstig wordt beschouwd”, schrijven Wijers en Ritzen. “Verhoudingsgewijs trekt er bedrijfs-r&d weg, en weten we omgekeerd steeds minder bedrijfs-r&d binnen te halen”.

Met het toverwoord “samenwerking” willen Wijers en Ritzen een kentering in dit r&d-klimaat teweeg brengen. Het kabinet Kok zoekt het niet zozeer in meer geldinjecties als wel in “een hoger rendement van investeringen in kennis via betere wisselwerking tussen vraag en aanbod”. “Daartoe zullen de publieke kennisinstellingen worden gestimuleerd om meer te gaan samenwerken met bedrijven”, aldus Wijers en Ritzen. De Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek (TNO), Energie-onderzoek Centrum Nederland (ECN) en de universiteiten raken hun autonomie kwijt. “Voor een betere aansluiting van vraag en aanbod tussen kennisinstellingen en bedrijven is het nodig dat zij gezamenlijk bepalen welke onderzoekthema's binnen het publieke onderzoek prioriteit verdienen”, aldus de beide verantwoordelijke bewindslieden. De overheid zal daarom de basisfinanciering voor TNO en ECN anders inrichten. De inzet van de basisfinanciering wordt gekoppeld aan een meerjarig onderzoekprogramma voor kennisontwikkeling. De overheid stimuleert ook op andere manieren “programmatische samenwerking tussen kennisinstellingen en bedrijven”. “De aansturing van TNO en ECN zal veranderen”, aldus Wijers en Ritzen, “en veel sterker via de markt gaan plaatsvinden”.

Om de kennisintensiteit van het midden- en kleinbedrijf (MKB) te verhogen wordt onder meer het programma PROMOTIE gelanceerd. Dit biedt het MKB de mogelijkheid om een aio voor promotie-onderzoek (4 jaar) of een proef-ontwerp (2 jaar) in te zetten op een probleem dat door het bedrijf (MKB) wordt aangedragen en onder wetenschappelijke verantwoordelijkheid van de universiteit wordt uitgewerkt. Industrie-, technologie-, onderwijs- en wetenschapsbeleid moeten elkaar versterken, aldus Wijers en Ritzen.