Een mozaïek van gele spaghetti

Tentoonstelling: Job Koelewijn. De Vleeshal, Markt, Middelburg. Di t/m zo 13-17 u. T/m 26 juni.

Natuurlijk is de eerste stap het engste.

De vloer van de Vleeshal in Middelburg is bedekt met een laag planken waar overheen lappen wit papier zijn uitgerold. Mijn rechtervoet hangt er boven, aarzelend, maar uiteindelijk besluit ik hem toch maar te laten zakken. Onmiddellijk stijgt vanonder m'n schoen een luid gekraak op dat galmend weerkaatst tegen het gewelf van de Vleeshal - alsof ik in een veld met kakkerlakken ben gaan staan die nu door een koor van geknerp protesteren tegen hun ongevraagde dood. Wanneer ik na het volgende kraakconcert naar beneden kijk zie ik dat onder m'n leren zolen minstens veertig flinterdunne stengels meedogenloos zijn verpletterd.

Naast de foto, waarop Job Koelewijn was te zien met de inhoud van een fors pak spaghetti in zijn mond, was het vooral dat zinnetje op de uitnodiging voor zijn tentoonstelling in Middelburg dat tot de verbeelding sprak: 'In verband met de aard van het werk is er geen opening'. De aard van het werk - je kon je afvragen wat hij daar in vredesnaam mee bedoelde. Was Koelewijn (1962) gezwicht voor het virus van de tentoonstelling waarin 'het creatieve proces' centraal staat en de toeschouwer dus maar een keer moest binnenvallen, of was het een tentoonstelling die je het beste in je eentje kon bekijken? Wie vervolgens naar Middelburg reisde en daar door de glazen toegangsdeuren van de Vleeshal tuurde, kreeg allereerst de indruk dat over de vloer van de zaal een enorm geel aquarel lag uitgespreid. Dat beeld veranderde bij de eerste stap naar binnen in een tarweveld na een wervelwind - geknakte korenhalmen die alle kanten waren opgewaaid en goudgeel lagen te glanzen op hun ondergrond. Pas bij de eerste knarsende stappen op de houten bodem werd duidelijk dat Koelewijn in de hal een spaghetti-veld had gezaaid - een beschaafd geordend mozaïek waarin afwisselend horizontaal en verticaal in nette blokjes honderden pakken spaghetti waren uitgestrooid. Maar dat gold tot de komst van de eerste bezoeker - na een paar dagen lagen alleen de stengels aan de zijkant nog netjes naast elkaar, de rest werd geleidelijk verpletterd en verpulverd.

Het spaghetti-veld in Middelburg is de eerste solo-tentoonstelling van Koelewijn. Het werk is goed gekozen, want een goed voorbeeld van de theatrale en literaire aspecten die zijn oeuvre tot nu toe hebben gekenmerkt. Niet alleen verwijst Koelewijn regelmatig naar de dichter Marsman; bijna al zijn beelden bevatten allerlei verhalende of anekdotische elementen. Als afstudeerproject voor de Rietveldacademie liet Koelewijn bijvoorbeeld een groep Spakenburgse vrouwen in klederdracht het bij de academie behorende Rietveldpaviljoen schoonboenen, en tijdens de tentoonstelling Shift in De Appel smeerde hij de toegangsdeuren in met Dampo. Kleine, theatrale ingrepen die net als het spaghetti-veld een stroom van associaties oproepen.

Wankeld over het spaghetti-veld - dat door de rollende spaghetti-stengels ook nog eens vreselijk glad blijkt te zijn - doet Koelewijns installatie wel een beetje denken aan het werk dat Hans Haacke twee jaar geleden maakte voor de Biennale van Venetië. Om te protesteren tegen het opkomende racisme in Duitsland brak Haacke de zware, marmeren vloer uit het Duitse paviljoen en verspreidde de platen in stukken over de vloer. Een breed gebaar van vernietiging - bij iedere stap die je in het paviljoen zette sloegen de marmeren brokken galmend op elkaar als illustratie van Haackes boodschap.

Koelewijns beeld is een mooi voorbeeld van de verschillende intenties van een jongere generatie van kunstenaars: waar Haackes beeld de monumentale, enigszins prekerige geste van een 'grote' kunstenaar was, is de installatie van Koelewijn zachtmoedig, ironisch en vol understatement. Niet alleen gebruikt hij een efemeer materiaal als spaghetti; hij geeft ook een forse knipoog naar het 'heilige' kunstenaarsgebaar door de toeschouwers rustig over zijn werk te laten banjeren. Daarmee wordt de toeschouwer door Koelewijn zelf tot kunstenaar uitgeroepen, een kunstenaar die met iedere spaghetti-stengel die hij vertrapt het kunstwerk enerzijds even in een eigen creatie verandert, maar tegelijktijd ook bijdraagt aan de definitieve vernietiging van het beeld. Want terwijl je al knarsend en knerpend door de Vleeshal loopt, besef je nadrukkelijk dat van Koelewijns installatie na nog een aantal van die rondjes niet veel meer over zal zijn. De kunstenaar heeft zich teruggetrokken, grinnikend waarschijnlijk, en laat de toeschouwer onder luid kabaal worstelen met zijn werk.