De mens als eenvoeter

De bekende roman van Kundera ten spijt, zie ik de lichtheid van het bestaan het duidelijkst in de gedaante van een boom. Elke nieuwe tak is lichter dan lucht, de kruin gaat als een ballon de hoogte in. De stam biedt hem vaste grond. Het is de stam die de boom aan de grond en tegelijk in de lucht houdt.

Van alle schepselen is misschien wel de boom het meest verwant met de mens. Hij is een eenvoeter, die ervan zou kunnen dromen hoe het is een tweevoeter te zijn en zich te verplaatsen. Wij, van onze kant, hebben geleerd in een boom, die evenmin als wij het eeuwige leven heeft, uitsluitend het leven te zien. Nooit zien wij in een boom de dood - daar hebben we andere symbolen voor. Voor de dood zijn er zoveel symbolen dat wij, hoe afschrikwekkend de dood ook moge zijn, er gemakkelijk over schrijven. Zo gemakkelijk dat soms de dood ons voorkomt als een troost voor de pijn die leven heet en die vaak een soort luxe is. Wie zegt dat hij lijdt aan het leven, heeft daar dan ook zijn symbolen voor (melancholie, ontroostbaarheid, aanstelleritis), die hem de kracht geven met leven voort te gaan. Wie zegt te lijden aan zoiets uitzonderlijks en eenmaligs als het leven kan zich bevoorrecht achten dat hij behalve het leven ook nog die pijn kent - maar hij wil absoluut niet dood. Bijna geen mens wil dood. Niet als anderen daartoe pogingen zouden ondernemen, daar verzet hij zich tegen.

Al deze gedachten kwamen in mij op toen ik de zoveelste discussie over de doodstraf aanhoorde (via de radio). Het is een discussie die iedere keer tot dezelfde slotsom voert: tegen, met als argument (Eerste Wet), dat als we niet toestaan dat mensen elkaar vermoorden, we het onszelf evenmin mogen toestaan. Ook het argument is steeds hetzelfde. Waarom dan die discussie? Misschien willen we uiting geven aan zekere twijfel; dat zou ons niet misstaan. Maar ik denk eerder aan uitingen van ceremoniële aard. We spreken ons veto uit: tegen, in de rustige zekerheid dat we hiermee moreel krediet hebben verkregen bij al degenen die er net zo over denken.

Maar als we een moordenaar niet straffen door hem te doden, hoe straffen we hem dan? We straffen hem door hem gevangen te zetten. We hebben daar redenen voor: hij is gevaarlijk, hij moet weten dat wat hij gedaan heeft niet door de beugel kan, hij moet worden verpleegd, enz. In elk geval zetten we hem achter slot en grendel en we hebben daar geen enkele moeite mee. Dat is vreemd. Want je zou, naar analogie van de Eerste Wet, de Tweede kunnen formuleren: als wij niet toestaan dat mensen elkaar van hun vrijheid beroven, mogen we het onszelf evenmin toestaan. Maar daar lijken we ons niets van aan te trekken. Wie niet wil deugen stoppen we in de cel. Wij straffen hem door hem zijn vrijheid te ontnemen. Hij wordt een boom, zou je kunnen zeggen, hij kan niet meer van zijn plaats. Hij zou daar een zekere standvastigheid, zelfs kracht aan kunnen ontlenen. Die mogelijkheid heb je ook als je, buiten de gevangenis, op straat gewoon naar je werk fietst: je een boom voelen. Je bent dan wel niet zo vrij als je in je dromen zou wensen, je bent gebonden, je kunt misschien wel geen kant uit, maar je bent tenminste in staat in je gevangenschap een symbool te zien, een boom dus, een vaste baan, een gezin, of misschien is het wel een of andere neurose waar je gelukkig mee bent. Die faciliteit - de ruimte van een onvolledig leven - biedt de cellulaire inrichting ook. Maar wie de gevangenis in 'geworpen' wordt, of hij nu een moordenaar is, een oplichter, een dief of een brandstichter - en niet in staat is in die gevangenschap een symbool te zien, met andere woorden: er geen kracht aan weet te ontlenen, voor zo iemand is gevangenschap vergelijkbaar met de dood. Zozeer dat hij in een zwak moment misschien wel de dood verkiest boven het leven door aan zijn leven een einde te maken - wat de ultieme vorm van zelfmeelij is en ons medelijden min of meer uitsluit. Toch zou het zonder onze tussenkomst niet zover gekomen zijn. Wij hebben hem gestraft met een straf die voor hem de dood was. Gelukkig wordt de soep zelden zo heet gegeten, maar enige bezinning kan geen kwaad. Wie tegen de doodstraf is, zou alle redenen hebben ook tegen tralies en gevangenschap te zijn.