'De dingen overvallen me soms'

Eén dagje bij de Haagse politierechters.van privacy gefingeerd.

Een doorsnee dagje - ogenschijnlijk niets bijzonders.Deze rubriek wordt in augustus hervat.

Daar hebben we de 40-jarige Arie Dabbens, een zachtmoedig ogende man, die zich moet verantwoorden voor de diefstal op één morgen van enkele Harley Davidson-attributen (ter waarde van tweehonderd gulden) en van een boek. Hoe hij dat had kunnen doen?

“Het was een hele rare dag”, zegt hij. “Ik moest naar Wateringen waar mijn zus woont. Zij beheert mijn geld. Ze was op vakantie gegaan zonder geld achter te laten voor mij. Ik had geld nodig. Twee jongens aan wie ik geld had geleend, konden me niet terugbetalen. In de winkel van mijn zus had ik geld kunnen krijgen. Maar om er te komen, had ik een tientje voor de bus nodig.”

Dabbens heeft een begeleider bij zich van het Begeleid Wonen-project waar hij is gehuisvest. De man is een leeftijdgenoot, maar hij bejegent Dabbens als een bezorgde vader die bij de rechter een goed woordje voor zijn zoon komt doen. “Het gaat bij ons goed met Arie”, zegt hij.

“Maar waarom stal u nou die Harley Davidson-dingen?” wil de rechter, mr. A. van den Berg, weten. “Daarmee had u toch niet een buskaartje kunnen kopen?”

Dabbens knikt. “Precies. Maar dat besef ik dan niet. Dat boek wèl, dat had ik tweedehands kunnen verkopen.” Een diepe zucht. “De dingen overvallen me soms”, zegt hij. “Ik word boos, raak in paniek. Zoals toen die jongens me mijn geld niet wilden teruggeven. Ik ben onder behandeling van een psychiater. Sinds een jaartje heb ik andere medicijnen.”

Hij herinnert zich een eerder diefstalletje. “Ik zat in een vakantiehuis op de Veluwe. Een dame had me er in haar Volvo naartoe gebracht, maar zelf had ik geen vervoer. Ik zat zeventien kilometer van de dichtstbijzijnde winkel af. Kunt u nagaan. En ik was al niet in orde - ik zat helemaal in mezelf opgesloten. De eerste drie dagen ben ik binnengebleven. Toen ben ik naar een snackbar gegaan en heb wat eten weggepikt. Daarvoor kreeg ik terecht een boete. En die heb ik dan ook betaald.”

“Gaat het nu wat beter?” vraagt de rechter.

“Als me niks gebeurt, zit ik wel goed in dat huis.”

“Waardoor raakt u steeds in paniek?” vraagt de officier van justitie.

“Als ik ruzie heb, raak ik de controle over mezelf kwijt. De mensen zeggen me altijd dat er andere mogelijkheden zijn om dingen op te lossen, maar die zie ik dan niet.”

De officier wil geen geldboete eisen, hij vraagt om een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken. “Daarmee heeft u uw toekomst zelf in de hand.” Het klinkt, onbedoeld, wel èrg optimistisch.

De rechter volgt de eis.

“Ik ga akkoord”, zegt Dabbens deemoedig.

Politierechters zien dagelijks mensen voor zich verschijnen die, om welke reden dan ook, al geruime tijd ernstig in de war zijn. Hun criminele neigingen staan niet op zichzelf, ze zijn louter een afgeleide van hun psychische stoornis. Het zijn geen misdadigers, maar dolenden door het labyrint van hun vertroebelde bewustzijn.

Neem Marie Hertinga, een ongeveer 25-jarige vrouw, die nerveus rokend wacht voor een belendend politierechterzaaltje. Ze wordt vergezeld door een magere jongeman in een leren jek. Zelf draagt ze een groenig T-shirt en een smoezelige spijkerbroek boven afgetrapte gympen. Ze wordt beschuldigd van een ernstig delict: het verspreiden en aanplakken van discriminerende stickers in het najaar van 1993 met teksten als: “Die Juden sind unser Unglück” en “Bevrijd Europa van de joden.”

“Hoe gaat het nu met u?” is de eerste vraag van de politierechter, mr. M. van Seventer.

“Nou... niet zó.” Marie haalt een brief tevoorschijn. “Van de maatschappelijk werker.”

De officier van justitie geeft een samenvatting van de brief. In twee minuten tekst zakt een heel leven door zijn fundamenten.

“Buitenechtelijk kind... adoptiekind... voelde zich tweederangs... op 16-jarige leeftijd weggelopen... drie pleeggezinnen... in derde pleeggezin seksueel misbruikt... depressief... suïcideneiging... alcoholverslaving... kortstondig contact met natuurlijke ouders... in 1989 getrouwd... echtscheiding... bij Riagg-psychiater... zelfmoordpoging in 1990... drugs... pillen... prostitutie.. drie jaar LAT-relatie zonder positieve invloed... heroïneverslaving... psychiatrische inrichting... automutilatie... nu weer afhankelijk van heroïne.”

De maatschappelijk werkers zien het gedrag van Marie als een gevolg van haar ernstige psychische stoornissen en dringen aan op seponering van de zaak.

“Maar dat kan ik niet meer nu de zaak is aangebracht”, zegt de officier. “De rechter moet nu een beslissing nemen. Het gaat om een ernstige zaak. Het waren gruwelijke stickers. De verdachte heeft gezegd: ,Zo ben ik niet, ik heb dit onder invloed van middelen gedaan'. Maar als u die middelen gebruikt, bent u verantwoordelijk voor de dingen die u daarna doet. Die teksten waren uitermate bedreigend.”

“Is het juist dat u die stickers heeft verspreid?” vraagt de rechter.

“Ja”, fluistert Marie, “en ik schaam me er erg voor.”

De rechter citeert uit een rapport van het Consultatiebureau voor Alcohol en Drugs. Ook daarin rijst de vraag op in hoeverre het delict Marie kan worden aangerekend. Het CAD vraagt om een voorwaardelijke straf. De officier kan daarin meegaan, ze vraagt om een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie weken met een proeftijd van twee jaar.

“Ik begrijp het niet”, zegt Marie.

“Die drie weken hoeft u niet uit te zitten”, legt de rechter uit, “als u in die twee jaar maar niet meer zoiets doet. En als u zich laat begeleiden door het CAD.”

Maar de rechter vindt deze eis te hoog. Hij kijkt de verdachte vriendelijk aan. “Ik ontsla u van rechtsvervolging. U heeft het wel gedaan, maar omdat ik vermoed dat u niet wist wat u deed, leg ik u geen straf op.”

“Bedankt, sorry”, zegt Marie verward. Ze staat langzaam op. “Kan ik nu gaan?”