Wereld moet rechten van de mens verdedigen, ook in Israel

In Israel worden de rechten van de mens op grote schaal geschonden, zowel door Israelische als door Palestijnse wetshandhavers. Hiertegen klinkt nauwelijks protest - de internationale gemeenschap lijkt ervan uit te gaan dat zulk geweld nu eenmaal hoort bij het 'vredesproces'. Een laakbare stellingname, vinden Willem van Genugten, Erik Laan en Jan ter Laak.

Een 'holiday on accountability' is het wel genoemd. Terwijl de Palestijnen en Israel, en andere staten in het Midden-Oosten, met elkaar verwikkeld zijn in wat nog altijd het 'vredesproces' heet, lijkt niemand aanspreekbaar op naleving van het internationale recht.

Israel is in 1991 partij geworden bij een aanzienlijk aantal internationale mensenrechtenverdragen. In oktober van dat jaar ratificeerde het de 'algemene verdragen' inzake Burger- en Politieke Rechten en Economische, Sociale en Culturele Rechten, beide van 1966, en de 'bijzondere verdragen' inzake Uitbanning van Discriminatie tegen Vrouwen (1979), Martelingen (1984) en de Rechten van het Kind (1989).

Al deze verdragen werden geratificeerd zonder noemenswaardige voorbehouden, uitgezonderd het Verdrag inzake de Burger- en Politieke Rechten. Bij dat verdrag heeft Israel verklaard dat de sinds 1948 bestaande noodtoestand ertoe kan leiden dat het zijn verdragsverplichtingen niet geheel nakomt. Met name behoudt Israel zich het recht voor de powers of arrest and detention in te zetten op een wijze die met het verdrag op gespannen voet staat.

Vergeten lijkt te worden dat het Verdrag inzake de Burger- en Politieke Rechten een groot aantal rechten bevat die zelfs in tijden van noodtoestand in acht moeten worden genomen (de zogenoemde non-derogable rights). Gedacht kan onder meer worden aan het recht van burgers om gevrijwaard te blijven van martelingen en andere vormen van wrede, inhumane of vernederende behandeling en bestraffing.

Inmiddels worden ten aanzien van Israel forse schendingen van uiteenlopende mensenrechten gerapporteerd. Zo spreekt de Speciale VN-Rapporteur inzake Martelingen, Nigel Rodley, in zijn rapport van januari 1995 over een groot aantal goed-gedocumenteerde gevallen van slechte behandeling tijdens gevangenschap, terwijl Amnesty International in een rapport van mei 1995 melding maakt van de arrestatie op politieke gronden van meer dan 6.000 Palestijnen.

Het zijn slechts voorbeelden, om duidelijk te maken dat Israels optreden op gespannen voet staat met het internationale recht. Een bescheiden teken aan de wand is daarbij dat het land nog steeds niet zijn eerste rapport heeft overlegd aan het Comité dat toeziet op de naleving van het Internationale Verdrag inzake Burger- en Politieke Rechten. Dit had reeds tweeëneenhalf jaar geleden moeten gebeuren.

Wat betreft de internationaalrechtelijke verplichtingen van Israel past verder een verwijzing naar het Internationale Humanitaire Recht (de Vier 'Geneefse Verdragen' van 1949 en de daarbij behorende Protocollen van 1977), in het bijzonder het Verdrag inzake de bescherming van de burgerbevolking in tijden van oorlog. Israel heeft dit verdrag in 1951 geratificeerd, maar zich altijd op het standpunt gesteld dat het juridisch (de jure) niet zou gelden in de bezette gebieden. Wel heeft Israel een en andermaal aangegeven zich feitelijk (de facto) aan de regels van de Conventie te zullen houden. Welnu, het eerste is een onhoudbaar standpunt, zoals door de internationale gemeenschap verschillende keren aan Israel duidelijk is gemaakt, het tweede is eenvoudigweg onjuist: veel van de gerapporteerde schendingen van de mensenrechten vormen tevens een schending van het Internationale Humanitaire Recht.

Ten aanzien van de Palestijnen ligt de zaak juridisch ingewikkelder. Hoe graag de Palestijnse Nationale Autoriteit dat ook anders zou zien, de autonome gebieden zijn geen staat en kunnen dus geen partij worden bij de internationale mensenrechtenverdragen. Ook een poging om partij te worden bij de Geneefse Verdragen (in 1989) is op niets uitgelopen. Niettemin hebben de Palestijnen, binnen de grenzen die hun internationaalrechtelijk gegeven zijn, hun verantwoordelijkheid genomen door in de overeenkomst van Kaïro van 4 mei 1994 (het akkoord met Israel over de Gazastrook en Jericho) een bepaling op te nemen dat de overeengekomen afspraken zullen worden uitgevoerd met inachtneming van internationaal geaccepteerde mensenrechtennormen.

Wat betreft de praktijk van alledag, is er ook ten aanzien van de Palestijnen reden tot zorg. Ook hier is sprake van schendingen van mensenrechten, variërend van willekeurige arrestaties, slechte behandeling in gevangenissen, sterfgevallen tijdens gevangenschap, tot ernstige beperkingen van de vrijheid van meningsuiting en vereniging en vergadering. De organisatie Human Rights Watch - Middle East spreekt in een rapport van februari 1995 over 'several disturbing trends', al benadrukt het tegelijkertijd dat het nog te vroeg is om te spreken over systematische schendingen van mensenrechten.

Israel en de Palestijnen nemen een loopje met het internationale recht, zoveel is zeker. En de internationale gemeenschap staat toe dat het gebeurt. Kennelijk vanuit de opvatting dat deze 'holiday on accountability' voor de Israelische en Palestijnse autoriteiten tijdelijk geoorloofd is, op grond van de vage notie dat het welslagen van het vredesproces ermee gediend is.

Dit beleid zal averechts werken, omdat de steun van de Palestijnse bevolking voor het vredesproces verder zal slinken zolang een mensenrechtendividend uitblijft. Bovendien: zijn de mensenrechtenstandaarden, meer in het bijzonder de eerder aangehaalde non-derogable rights en de Geneefse Verdragen, niet juist gemaakt om een ondergrens aan te geven die ook in tijden van noodtoestand of burgeroorlog in acht dienen te worden genomen?

Natuurlijk gaat het er in laatste instantie om dat het vredesproces tot een goed einde wordt gebracht, maar in de tussentijd - die inmiddels al veel langer duurt dan de negen maanden die premier Rabin bij zijn aantreden medio 1992 dacht nodig te hebben - moet ten minste dat minimum als strenge norm worden gerespecteerd. En dat is een verantwoordelijkheid voor de direct betrokkenen, maar evenzeer voor de internationale gemeenschap. Derde staten, partij bij bovengenoemde verdragen, hebben zich immers verplicht te zorgen dat mensenrechten ook elders nageleefd worden.

De internationale gemeenschap heeft deze waakhondfunctie tot op heden grotelijks verwaarloosd, zij het dat het in menig opzicht nog niet te laat is. Zo kan er bij Israel op worden aangedrongen dat het zijn achterstallige rapport inlevert, terwijl aan de Palestijnse Nationale Autoriteit kan worden voorgehouden dat zij een schaduwrapportage over de mensenrechtensituatie kan maken, als ware zij reeds de vertegenwoordiger van een soevereine staat.

Ook kan er bij Israel op worden aangedrongen dat het zich daadwerkelijk houdt aan het Vierde Geneefse Verdrag, en dat het - meer in het algemeen - zelfs in de huidige situatie van bloedig verzet tegen de vredesakkoorden verdragsrechtelijk gebonden is aan het internationaal overeengekomen minimum. Dat alles moet de internationale gemeenschap een zorg zijn. Lijdzaam toezien behoort niet tot de spelregels van het internationale recht.