Micha Hamel schreef balletmuziek 'Wintergezicht'; 'Duisternis onder het ijs'

Het Nationale Ballet: Wintergezicht (Toer van Schayk), Four Schumann Pieces (Hans van Manen) en Diversion of Angels (Martha Graham). 15 t/m 21/6 Muziektheater Amsterdam.

Micha Hamel wilde graag een stuk schrijven over de winter, een ijl, koud, gewichtloos stuk. “Stel je een ijsvlakte voor, een desolate ijsvlakte. Het ijs straalt een helder, wit licht uit, maar onder het ijs is het duister en kil. Zelfs als de zon schijnt is het nog koud. Er ontstaat een bijna poëtische substantie die me intrigeert.”

Uit zijn beelden van de winter destilleerde componist Micha Hamel (24) het grote orkestwerk Wintergezicht. Toer van Schayk maakte bij de muziek een nieuwe choreografie die aanstaande donderdag in het Amsterdamse Muziektheater in première gaat bij Het Nationale Ballet. Hamel is behalve componist ook dirigent en zal zelf de uitvoeringen door het Nederlands Balletorkest leiden.

Hamel: “Ik kende Toer van De Perzen van Hans Croiset waarvoor hij het decor en de kostuums heeft ontworpen en ik de muziek heb geschreven. Zijn ballet De Omkeerbaarheid van Roest vond ik hartverscheurend mooi. Toen we beiden werden gevraagd om samen een ballet te maken hebben we geen moment geaarzeld.” Vanuit wat Hamel de 'droomfase' noemt, ontstond een uitvergrote fantasie. “We hebben niet zozeer een scenario geschreven als wel gezocht naar een artistiek vertrekpunt.”

De titel voor zijn orkestwerk ontleende Hamel aan de Hollandse schilder Hendrick Avercamp (1585-1634), beroemd om zijn wintergezichten. “Op de doeken van Avercamp spelen zich allerlei dingen tegelijk af. Links onder zijn mensen aan het sleeën, in de rechterbovenhoek valt iemand op zijn gezicht. Je komt zo'n schilderij niet binnen via een ingang. Dat geldt ook voor mijn muziek. Er is natuurlijk wel een dramatische vector, maar aan de andere kant heb ik zoveel geknipt en geplakt dat de vorm meer lijkt op een paneel.”

Micha Hamel volgde vanaf zijn zestiende privélessen compositie en orkestdirectie en studeerde deze vakken daarna aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Zijn muziek werd uitgevoerd door onder meer de Slagwerkgroep Den Haag, het Mondriaan Kwartet, het Nieuw Ensemble en het Schönberg Ensemble. De compositie Fructus (1993) voor strijkkwartet en zes slagwerkers leverde Hamel in 1994 de Aanmoedigingsprijs voor Compositie van het Amsterdams Fonds voor de Kunst op. Vorige zomer nam hij op uitnodiging van Reinbert de Leeuw deel aan de compositieklas van het Tanglewood Music Center. Daar kreeg hij les van Mario Davidovsky en Louis Andriessen.

Over Andriessen zegt Hamel: “We hebben een hele goede relatie omdat ik hem respecteer en hij mij, maar onze muziek zou niet verder uit elkaar kunnen liggen. Ik ben gewoon een oude expressionist, denk ik wel eens. Mijn muziek heeft niets te maken met de gebeitelde helderheid, het klassicisme van Andriessen.”

Wat Hamel gemeen heeft met Andriessen, is diens voorkeur voor buitenmuzikale aanleidingen, zegt hij. “Ik ken acteurs die een map samenstellen voor een personage dat ze gaan spelen. In de map stoppen ze foto's, een toevallig kranteartikel, misschien een muziekje en zo raakt zo'n figuur ingevuld. Zo verzamel ik zelf, onbewust, materiaal voor een compositie. De autobiografie van Elias Canetti bijvoorbeeld, en een Gregoriaanse melodie en Schuberts Winterreise.”

Eigenlijk is Micha Hamel een liedcomponist. Liederen nemen in zijn oeuvre een belangrijke plaats in. In Tanglewood hoorde Hamel Hermann Prey de Winterreise zingen. “Dat was het mooiste concert dat ik in mijn leven heb gehoord. Toen vielen dingen op hun plaats.” Hamel zingt en speelt redelijk piano. Zoals Andriessen Bach speelt voor hij gaat componeren, zo speelt Hamel Schubert. “Een paar liederen en dan kan ik aan de gang.”

Hamel houdt er niet van zijn compositorisch materiaal zo helder te behandelen als Andriessen dat doet. “Ik ben juist bezig het angstvallig weg te moffelen voor het publiek, zodat je geen idee hebt waar het stuk nu over gaat. Het materiaal is een second agenda.” Hamel componeert zoals Umberto Eco in De slinger van Foucault de boekenkast van de westerse literatuurgeschiedenis laat omvallen. “Soms heb je net dat ene boek gelezen waardoor je een passage begrijpt. In mijn muziek kan de goede verstaander veel herkennen. Omdat ik meerdere lagen aanbied, hoop ik dat iedereen er wat uitpikt.

“Ik gebruik nooit citaten, wel halfcitaten. Je dénkt dat er geciteerd wordt, maar dan heb ik het wel zelf gecomponeerd. In Wintergezicht komt een backstage-piano voor, een valse piano. Daarop wordt een Puccini-achtige melodie gespeeld, volkomen onafhankelijk van de rest van de muziek. Sterker nog, je hoort de piano niet altijd, want het orkest is gewoon te hard. Soms denk je: heeft iemand de deur van het repetitielokaal soms open laten staan? Dat is een lijntje naar Schubert. Zo'n eenzaam mannetje op een oude gammelbak. Het stopt en begint opnieuw. Alsof je heel in de verte op een kermis het muziekje van een draaimolen hoort.”