Hockeybondscoach twijfelt aan de mentale weerbaarheid van Nederlandse sporters; Het staantribune-gevoel van Tom van 't Hek

Ruim een week nadat hij met Kampong de Europa Cup won, begint Tom van 't Hek woensdag met het Nederlands vrouwenhockeyteam aan het Europees kampioenschap in Amstelveen. Het is zijn eerste titeltoernooi als bondscoach. “Hoe meer gedoe er is, hoe beter.”

DEN HAAG, 12 JUNI. Hij kijkt verbaasd. Nee, Tom van 't Hek heeft verleden week niet meegevoeld met Guus Hiddink. Er bestaat voor hem geen vanzelfsprekende band met alle collega-bondscoaches en met hun teams. “Het Nederlandse voetbalelftal doet me weinig meer. Ik ben dit seizoen nog wel bij Nederland-Frankrijk geweest, maar dat was voorlopig de laatste keer.” Later gniffelt hij op de vraag waarom de mensen naar het EK hockey moeten komen kijken: “We zullen in ieder geval harder lopen dan de spelers bij Wit-Rusland-Nederland.”

Van 't Hek weet niet of zijn collega Hiddink blaam treft voor de ellende in het voetbal. “Het is hem nog niet gelukt zijn stempel op de ploeg te drukken. Maar misschien is het vechten tegen de bierkaai.” Wel vindt de Ajax-fan Van 't Hek het vreemd dat Jonk en Van 't Schip stonden opgesteld. Zo zal er ongetwijfeld ook hier en daar kritiek zijn op de samenstelling van de nationale hockeyselectie. Dat hoort nu eenmaal bij de functie van bondscoach. Luistert Van 't Hek naar de raadgevingen en adviezen? “Ik bezit een bepaalde mate van eigenwijsheid”, zegt de 37-jarige bondscoach.

Hij wil best wat van anderen aannemen. “Maar dan wel van mensen die weten waarover ze praten. En in Nederland lopen misschien dertig mensen rond die verstand hebben van hockey.” Hij is er daar zelf een van, stelt Van 't Hek vast. “Ik zeg weleens tegen iemand die opmerkingen heeft dat hij of zij er véél meer vanaf weet dan ik, maar dat ze toevallig mij als bondscoach hebben aangesteld.”

De 221-voudig ex-international heeft bij Kampong bewezen goede dingen te kunnen doen als coach. Hij werd in drie jaar tijd twee keer landskampioen en won vorige week de Europa Cup. Als bondscoach valt hij nog niet te beoordelen. Onder zijn bewind, sinds september verleden jaar, werden pas acht oefeninterlands gespeeld. Daarom is hij blij met het Europees kampioenschap dat woensdag begint. “Het was als bondscoach een heel lang jaar. Er waren weinig meetpunten.”

Van 't Hek werkt bij de nationale ploeg niet anders dan bij Kampong. Hij kiest de in zijn ogen meest geschikte speelsters en zet ze op hun plaats. En gaat het straks mis dan kan hij daar op worden aangesproken. Kan het simpeler?

Hij heeft geen trek in “ingewikkeld geneuzel”. Is het moeilijk werken met vrouwen? Mist de hedendaagse sport persoonlijkheden? Hij wuift alle vooroordelen resoluut weg. “Ik heb zelf een periode in een elftal gespeeld met alleen maar zogenaamde persoonlijkheden. Maar daar heb ik een hele zilverwinkel aan overgehouden.” Hij wijst op Ajax-held Patrick Kluivert. “Die staat op het Museumplein met de Cup in zijn handen het volk toe te spreken. Is dat dan nu al geen persoonlijkheid?” Van 't Hek zegt nooit over “wij vroeger” te praten. Over dat vroeger alles zo veel beter was. “Dat doe ik misschien alleen als het een keer erg laat wordt.”

Hij geeft de oudgedienden wel gelijk als ze hun twijfels uitspreken over de mentale weerbaarheid van de Nederlandse sporter. “Daar ligt ons grootste probleem.” Hij selecteert ook heel bewust speelsters op mentale aspecten. Hij geeft daarbij zijn ogen en oren goed de kost. Dat is voldoende. “Je hoeft geen psycholoog of arts te zijn om te zien dat het bijvoorbeeld niet goed gaat met Dennis Bergkamp. Of hij nou wel of geen liesblessure heeft. En dat was destijds ook zo met Elco Brinkman. Dat zat niet lekker. Dat kon je gewoon thuis vanaf de bank met een pilsje en een bakje paprika-chips kijkend naar Den Haag Vandaag zien.” Van 't Hek noemt dat het “staantribune-gevoel”.

De hockeybondscoach verkeerde in de gelukkige omstandigheid Louis van Gaal (“Een hele oprechte man”) van nabij mee te maken. Van 't Hek zat als vervangend arts een paar keer bij wedstrijden in de dug-out van Ajax en maakte ook een trainingsweek van de Amsterdamse club mee. “Het is grappig om te zien dat er geen verschil is tussen een miljoenenploeg en een hockeyteam met een stel studenten. De instelling, de hiërarchie, ze zijn hetzelfde.” Hij vindt Van Gaal een absolute topcoach. “Maar ook bij hem kan het weleens misgaan. Dat is de enige zekerheid die je hebt in de sport.”

Van 't Hek deed met z'n ervaringen bij Ajax zijn voordeel. Net zoals hij van alle coaches die hij als speler meemaakte wel iets opstak. Al is het maar een opmerking die hij nu zelf een keer kan gebruiken. Hij denkt bijvoorbeeld aan de woorden van voormalig Kampong-coach Gerard Stroes. “Ik scoorde in de competitie eens met een lob”, herinnert Van 't Hek zich. “En ik had weleens gezegd dat ik zou stoppen als dat zou gebeuren. Verder liep het niet zo goed in die wedstrijd. Het werd 3-3. Na afloop kwam Stroes naar me toe. Weet je nog wat je hebt gezegd, vroeg hij. Ja, zei ik. Nou, daar heb je je dan goed aan gehouden, reageerde hij toen.”

Van 't Hek heeft ook zo zijn trucs om speelsters scherp te krijgen. “Ik coach niet op de doorsnee-manier. Als dat moet hou ik meteen op. Natuurlijk doe ik veel met humor. Die gebruik ik zowel als schild en als zwaard.” Soms is dat even wennen voor een speelster. “Je ziet weleens iemand schrikken. Maar na een paar weken weet zo iemand mijn opmerkingen wel op waarde te schatten.” Er is in drie jaar tijd nog niemand bij hem weggelopen. “Het is onzin om vrouwen in de sport als labiele, breekbare wezens af te schilderen. Natuurlijk zitten ze anders in elkaar dan wij mannen. Soms moet je even wat voorzichtig zijn. Voor de rest moet je ze gewoon op een volwassen manier benaderen. Dan is er niets aan de hand.”

Van 't Hek geeft toe dat hij zich toch heeft aangepast. Want uitspraken die hij doet zijn uitspraken van de bondscoach. “Ik zeg nu eenmaal sneller iets dan een ander. En die woorden worden op een goudschaaltje gelegd. Daar heb ik wel van geleerd. Maar ik kan mezelf misschien een paar procent bijstellen, nooit vijftig of honderd procent.”

Hij blijft de emotionele Van 't Hek. Ook als bondscoach sprint hij na een doelpunt of overwinning nog weleens uit blijdschap ongegeneerd het veld in. Of hij vult door de zenuwen een verkeerd nummer van een speelster in als er strafballen moeten worden genomen. “Er moet druk op staan”, vindt hij. “Hoe spannender het wordt hoe beter. Dat je twee uur voor zo'n finale met Kampong dat broodje niet echt meer naar binnenkrijgt. Dat is toch prachtig.”

Hij zit geen moment stil tijdens wedstrijden. Als bondscoach wordt Van 't Hek echter flink in zijn mogelijkheden beperkt. Volgens de internationale regels mag hij de dug-out niet verlaten. “Ik heb er minder moeite mee dan iedereen denkt”, vertelt hij. “Maar ik zal op de bank tijdens het EK best weleens van links naar rechts verhuizen. Of andersom. En we zullen het spel tot op de grens toe spelen. Ik zal eens kijken of ze bij de jury inderdaad goed opletten.”

Hij lacht er gemeen bij. Dat belooft veel voor de komende anderhalve week. “Ik had”, zegt Van 't Hek, ook nog huisarts en radio-presentator, “niet gedacht dat ik coachen zo leuk zou vinden.”